Drie boterzachte stooflapjes

Sommige mensen zeggen niet heerlijk, maar heirlijk.„Heirlijk zuster!” roept mevrouw Wormerveer, terwijl ze een stukje stoofvlees op haar vork prikt, „die runderlapjes zijn echt boterzacht!” „Ja”, zegt de zuster, „ik heb vanmorgen de dagdienst gebeld of ze ze even aan wilden braden en vast op een klein pitje laten sudderen.”

„O, o”, gaat mevrouw Wormerveer verder (op een toon alsof ze in een katholiek hoorspel zit) „wat worden we hier toch verwend.”

De zuster gaat de tafel langs en schudt versgebakken aardappeltjes op de borden. „Wie wil er gebakken aardappeltjes?” roept ze.

„O ja! Ja! Ik! Heirlijk zuster”, klinkt het door elkaar. „En wie wil er appelmoes”, roept de andere zuster, „met appels uit mijn eigen boom.”

De dames schuiven vol verlangen hun bordje naar voren. Tot mijn verbazing zie ik ook mijn moeder gretig als een kind haar bordje naar voren schuiven. Ik pak de grote knijpfles mayonaise en ga ermee de borden langs. Ze willen allemaal een grote kledder. Als laatste loop ik naar mijn moeder, ze trok altijd haar neus opvoor „die vuiligheid”.

„Jij ook?” vraag ik aarzelend.

„Ja doe maar hier”, zegt ze en wijst met haar vinger naar een lege plek op haar bord.

Voorzichtig puf ik een kloddertje op haar bord. Zo goed? „Nee”, roept mijn moeder ongeduldig „er komt haast niks uit, je moet knijpen! Zo!” Ze doet het voor met kwade mimiek.

We zitten met z’n elven aan een lange eettafel, mijn moeder, de zeven andere kleinschaligwonenbewoonsters, twee ‘zusters’ en ik. Ik zie iedereen royaal in de mayo dippen.

„Heirlijk zuster!” roept mevrouw Wormerveer, en „wat hebben we het toch goed hier!”

„’t Is hier best om uit te houden heur”, zegt mevrouw Glims deftig. „Alleen jammer dat je zelf niet naar buiten mag! Ik ben een echt buitenmens. Ik snap het wel, iedereen heeft het druk. Moet ik wachten tot mijn zoon er is. Maar verder: je hebt hier je natje en je droogje, er wordt voor je gekookt. Ik hou niet van koken, ik kan niet eens koken! In Indonesië hadden wij bediendes die voor ons kookten!”

„Ko?!” reageert mijn moeder, „ik heb ook een broer die Co heet.”

„Ach wat leuk!” roept mevrouw Glims, „met een k of een c?”

„Co met een c!”

„Met een c”, zegt mevrouw Glims verheugd, „dat is sjieker dan met een K! Co van Cornelis?”

„Nee van Jacobus”, antwoordt mijn moeder met iets aangezette kak in d’r stem, „vernoemd naar de heilige Jacobus, dat was een apostel.”

„O gut wat leuk!” roept mevrouw Glims, „ ook familie van u?”

„We lachen wat af hier”, zegt de zuster. „Laatst op een middag lag mevrouw Glims in je moeders bed.”

En mijn moeder?

Die vond het niet erg, ze zat gewoon voor het bed in een stoel. Mevrouw Glims kan wel een potje bij haar breken! Het is ook zo verwarrend, had mevrouw Glims met een blik op het bed gezegd, even verderop heb ik net zoiets.

„Gisteravond hadden we broodje kroket”, vertelt de zuster, „hebben ze ook zo zitten smullen. Je moeder ook hoor! Hé mevrouw Niterink, was lekker gisteren dat broodje kroket.” Mijn moeder kijkt verbaasd. „Was ik hier gisteren ook? Volgens mij is het de eerste keer dat ik hier eet.”

„Jammer, dat ik niet zelf naar buiten kan”, zegt mevrouw Glims. „Maar dan kijk ik wel uit het raam.”

Tekst Tosca Niterink