Voorbij geluk

De tsunami van 11 maart en de daaropvolgende kernramp in Japan hebben opmerkelijk snel hun neerslag gekregen in de Nederlandse literatuur. Detlev van Heest schrijft er uitvoerig over in zijn onlangs verschenen reisverslag Het verdronken land.

Ik ben niet zo’n reisboekenlezer, maar bij Van Heest kende ik geen aarzelingen. Zijn boek kan immers ook worden gelezen als een vervolg op zijn geslaagde romandebuut De verzopen katten en de Hollander uit 2010. Daarin beschreef hij hoe hij met zijn vrouw Annelotte zes jaar lang in de buurtschap Nieuwloofwijk in Tokio woonde. Zijn vrouw verdiende er de kost, terwijl hij als huisman leefde en het vertrouwen won van een aantal buurtgenoten. Dat resulteerde in een reeks intieme portretten van anonieme Japanse burgers, eenvoudige, vaak oudere mensen die een uiterst sober bestaan leidden.

In zijn nieuwe boek trekt Van Heest de sporen van deze mensen na. Wat is er van hen geworden? Als ze overleden zijn, hoe zijn ze dan begraven of gecremeerd? En hoe gaat het met hun nageslacht? Zó geobsedeerd stort hij zich op deze soms al voorbije levens dat ik me als lezer voortdurend afvroeg: wat drijft hem, zijn deze mensen voor hem misschien ook een instrument om meer over zichzelf te ontdekken?

In een recent radio-interview met Wim Brands vertelde Van Heest dat hij uit solidariteit met zijn vrienden naar Japan terugkeerde toen de rampen zich daar voltrokken. Ik vermoed dat er ook andere redenen waren. Het eerste deel van Het verdronken land bevat immers het verslag van een bezoek uit 2009, dus vóór de tsunami. Van Heest reist dan rond met een nieuwe vriendin, over wie hij weinig loslaat. Zijn hoofd is meer bij Annelotte, de vrouw die hem inmiddels verlaten heeft (zie de roman Pleun).

De herinnering aan haar laat hem niet los, verbeten reist hij de plekken langs waar hij met haar gelukkig geweest is. „Ik denk aan Annelotte, die hier, in haar Detlevloze bestaan, nooit meer zal komen.” Hij overweegt haar prentbriefkaarten te sturen, maar ziet er toch maar van af.

Ook als hij na de tsunami opnieuw naar Japan terugkeert, blijft de herinnering aan Annelotte hem kwellen. „Ik loop langs onze toenmalige kamer […] en walg van mijzelf om het eindeloze herkauwen van mijn leven. Het moet afgelopen zijn. Ik zweer: dit is mijn afscheidstournee. Hierna is er geen terug naar Japan meer, wat er ook gebeurt.”

Zijn nieuwe vriendin verdwijnt geruisloos uit zijn boek, Annelotte blijkt onvervangbaar. Tussen de bedrijven door beschrijft Van Heest op interessante wijze de gevolgen van tsunami en kernramp, maar dat wordt toch niet de kern van zijn boek: dat is die desolate zoektocht naar het geluk dat hij daar vond en dat hem sindsdien ontglipt is.

Zijn vriendin merkt op dat zijn vrienden in Japan vooral losers zijn: mislukte kunstenaars, een arm oud echtpaar. Dat is waar. Het zijn zonderlingen, vooral de kunstenaars die monomaan de erkenning zoeken die ze vermoedelijk nooit zullen krijgen. Van Heest lijkt soms zelfs een afkeer van zijn vrienden te hebben, hij kan gruwen van de conversaties, maar toch is er altijd weer de ontroering die ze óók bij hem opwekken, tenzij ze hem kwetsen in zijn dierenliefde.

Het is alsof hij zich in hoge mate met hen identificeert: in hemzelf lijkt een verliezer te schuilen die alsmaar vreest dat het ook met hém zo slecht zal aflopen.

Maar een mislukt kunstenaar is Van Heest zeker niet.