Liever de regen en wind dan een dak

De Jaap Edenbaan, de eerste kunstijsbaan in Nederland, viert het vijftigjarig bestaan.

Een jubileum met veel herinneringen, een boek, schaatshelden en nostalgie.

Schaatsen, Opening van de eerste Nederlandse openlucht kunstijsbaan 'Jaap Edenbaan' te Amsterdam, Nederland 10 december 1961.;

De karakteristieke lampjes aan de binnenkant van de baan, koek en zopie langs de kant, een lang lint van marathonschaatsers glijdend over het ijs van de Amsterdamse Jaap Edenbaan. „De sfeer op deze baan is uniek”, zegt Ard Schenk bij de viering van het vijftigjarig jubileum van de eerste kunstijsbaan in Nederland. „Hier vind je nog wat de echte liefhebber koestert: schaatsen in de open lucht, desnoods met regen en wind. En dan na afloop lekker een warme chocolademelk in de Skeeve Skaes. Mooier is er niet.”

In december 1961 kon in Nederland voor het eerst worden geschaatst op een kunstijsbaan van 400 meter. Een spannende marathon – gewonnen door Joost Juffermans bij de mannen en Foske Tamar van der Wal bij de vrouwen – sierde zaterdag het jubileumweekeinde op. Een dag eerder waren bij de officiële ceremonie vele oud-coryfeeën, van wie de naam onlosmakelijk verbonden is met de historie van de Edenbaan. Kunstrijdster Sjoukje Dijkstra, ijshockeyer Ron Berteling en uiteraard Ard Schenk en Kees Verkerk, die hier de basis legden voor hun successen in de jaren zestig en zeventig. De kleinzoon van naamgever Jaap Eden, Jaap Eden junior, die vijftig jaar geleden als tienjarig jochie de ijsbaan opende en nu een tentoonstelling inrichtte met spullen van zijn opa, was er ook.

„De baan ziet er nog steeds zo uit als vroeger”, vertelt Carry Geijssen, die op de Olympische Winterspelen van 1968 in Grenoble de eerste gouden schaatsmedaille behaalde voor Nederland. De Amsterdamse dankt haar succes aan de Jaap Edenbaan. „Hier is het allemaal begonnen. Een schoolschaatswedstrijd in het seizoen 1962-1963, mijn zusje en ik werden eerste en tweede. De jaren daarna hebben we hier altijd lekker getraind en mooie kampioenschappen gereden. Koud, regen, storm. Maar je wist niet beter. Zonder deze baan waren we waarschijnlijk nooit gaan schaatsen.”

Traditioneel trokken Nederlandse schaatsers noodgedwongen naar koudere streken om te trainen. Noren, Zweden en Russen hadden altijd ijs genoeg en domineerden de sport. Na Jaap Eden (1893, 1895 en 1896) en Coen de Koning (1905) was Henk van der Grift in 1961 pas de derde Nederlandse wereldkampioen. Zijn titel in het Zweedse Gotenburg bleek cruciaal voor het Nederlandse schaatsen. In Amsterdam waren sinds 1958 plannen voor een kunstijsbaan in eigen land, maar de financiering bleef een probleem. „Drie dagen na mijn wereldtitel was het ontbrekende geld binnen”, vertelt Van der Grift, die op de Edenbaan werd benoemd tot erelid van schaatsbond KNSB.

Vanaf dat moment konden Nederlandse schaatsers de hele winter in eigen land trainen. Het uitzonderlijke talent van Verkerk en Schenk deed de rest. „We hadden vooral ongelofelijk veel lol”, kijkt Schenk terug op de begintijd van het tijdperk Ard & Keessie. De Edenbaan lag dicht bij voetbalstadion De Meer, waar Ajax begon aan zijn opmars naar de wereldtop. „We kwamen een uur eerder naar de baan om onderling een partijtje te voetballen. Sjaak Swart [speler van Ajax] was er ook vaak. Ik heb nog eens mijn schouder geblesseerd voor een belangrijk toernooi. Maar dat voetballen was voor ons bijna belangrijker dan het schaatsen. Het plezier stond voorop.”

Na de opening van de eerste kunstijsbaan steeg het aantal Nederlandse schaatssuccessen explosief. Op vijf internationale titels van voor 1961 volgde liefst 147 keer winst in de jaren erna, becijfert Huub Snoep, auteur van het boek 50 Jaar kunstijs dat op de Edenbaan werd gepresenteerd. Na Amsterdam kregen al snel ook Deventer (1962) en Heerenveen (1966) kunstijs.

Inmiddels telt Nederland dertien banen van 400 meter, waarvan Thialf in Heerenveen in 1986 als eerste werd overkapt. Deventer overvleugelde Amsterdam als wedstrijdbaan na het Europees kampioenschap van 1966 (Schenk won, Verkerk tweede). Tegenwoordig zijn alle grote wedstrijden in Heerenveen. „Door de overdekte banen en de klapschaats is het een heel andere sport geworden”, stelt Carry Geijssen. „Maar hier in Amsterdam heb je nog de ouderwetse schaatssfeer.”

Het Nederlands kampioenschap van 1971, gewonnen door Jan Bols, was het laatste grote langebaantoernooi op de Edenbaan. Maar bij de stoere marathonschaatsers, niet bang voor regen of wind, blijft de open ijsbaan onverminderd populair. „Vorig jaar hadden we hier nog een prachtig NK marathon”, memoreerde KNSB-voorzitter Doekle Terpstra bij het jubileum. „Er stonden duizenden mensen langs de baan en op televisie keken meer dan een miljoen mensen. Dit is waar Nederland zo trots op is. Puur genieten van schaatsen, authentiek.”

In Amsterdam werd al een marathon gereden toen deze tak van de schaatssport nog niet eens bestond, beschrijft Ron Couwenhoven in zijn jubileumboek Een halve eeuw Jaap Eden Kunstijsbaan. Ruim een week na de door Reinier Paping gewonnen Elfstedentocht van 1963 volgt op de Edenbaan een revanchewedstrijd over 125 ronden. Paping is moe van alle huldigingen, Jeen Wester wint.

„In de jaren zeventig had je de Nacht van Amsterdam”, vertelt oud-marathonschaatser Rien de Roon. „Met de verlichting op halve kracht om de start van de Elfstedentocht te imiteren.” Legendarisch is de poging van Co Giling om het werelduurrecord te verbeteren. Het waaide weer eens hard in Amsterdam en Giling besloot al na drie ronden om via het krabbelbaantje achter de rug van zijn coach De Roon de kleedkamer in te vluchten. „Op zijn blote ijzers.”

Nooit overdekken, de Edenbaan, vindt KNSB-voorzitter Terpstra. „Wij gaan er geen dak opzetten”, verzekert bestuursvoorzitter Egbert de Vries van stichting ijscomplex Jaap Eden. Voor één keer zijn de schaatsers het met de bestuurders eens. „Hier mag nooit een dak op”, zegt Ard Schenk.

    • Maarten Scholten