Jubileumviering met wrange bijsmaak

Het Internationaal Danstheater danste vaak op het randje van de afgrond. Met een nieuwe structuur en een nieuwe directie zetten de schatbewaarders van eeuwenoude danstradities koers richting het heden.

Foto: Anna van Kooij / Frank Verhagen

„Onze tak van dans heeft geen blauw bloed in de aderen”, verzuchtte ooit Ferdinand van Altena. Hij wist donders goed dat de ‘nederige’ afkomst van de volksdans, zijn passie, voor velen reden was om die niet als gelijkwaardig te beschouwen aan klassiek ballet of moderne dans. Zijn tijd bij het Internationaal Danstheater, dat vanavond het vijftigjarig jubileum viert, was dan ook een lange overlevingsstrijd, met al in 1969 een Begrafenisvoorstelling en daarna nog vele (financiële) crises.

Ferdinand van Altena (1936-2006) overleefde ze allemaal. Onder zijn leiding ontstond een uniek verschijnsel: een professioneel gezelschap dat zich niet beperkte tot het eigen folkloristische danserfgoed, maar traditionele dans en muziek uit alle windstreken op de planken bracht. Misschien was het niet toevallig dat zo’n groep juist in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog ontstond. Ons land kent zelf nauwelijks eigen volksdansen; vrijwel alles is afgeleid uit andere Europese landstreken. ‘Folkloristen’ van allerlei pluimage – met name de jeugdbewegingen van de diverse vooroorlogse zuilen – keken dus al vroeg over de grenzen. De Duitse bezetter beschouwde volksdans als bruikbaar propagandistisch bindmiddel, op voorwaarde uiteraard dat die van ‘acceptabele’ herkomst was. Na de bevrijding was de neiging om verder te kijken dan Noord-Europa daardoor des te sterker.

Op die stroom ontstond het Internationaal Folkloristisch Danstheater (de term folkloristisch werd midden jaren negentig afgezworen), een samenvoeging van twee semiprofessionele groepen: Van Altena’s Dansgroep Terpsichoré, opgericht in 1961, en het Danstheater Internationaal van Gerard Bitter. In 1966 fuseerden de groepen. De blik was toen vooral op het Oostblok gericht. Daar opereerden volksdansgezelschappen al veel langer op professionele basis en was een grote knowhow aanwezig, plus een enorme schat aan authentieke muziekinstrumenten en kostuums, elementen die een steeds belangrijker (en kostbaarder) onderdeel van de voorstellingen zouden worden.

Aanvankelijk hadden die de vorm die in Oost-Europese landen nog altijd gangbaar is: een opeenvolging van losse nummers, zonder rode draad, zonder verhaal. Die konden rustig tweeënhalf uur duren, wat geen probleem was voor de trouwe achterban van amateurfolkloristen die het Internationaal Danstheater altijd heeft gehad, maar wel een obstakel voor ‘gewone’ dansliefhebbers. In de jaren zeventig begon de groep daarom te experimenteren met themavoorstellingen. Voor Van Altena gold de voorstelling Brueghel in dans uit 1976 wat dat betreft als mijlpaal. Er volgden producties rond menselijke baltsriten (Het eeuwige ritueel, 1982), de vier seizoenen (Seizoenen van jaar en leven, 1985). Zeer succesrijk was Dansend langs de Zijderoute (1991). Nog ging men uit van losse nummers, maar met een thema dat ofwel geografische, ofwel inhoudelijke verbanden legde.

Intussen waren Van Altena, die in 1997 met pensioen ging, en zijn opvolger Maurits van Geel steeds dieper Azië ingetrokken, tot Tibet, Mongolië en China aan toe. Ook dansen uit de Nieuwe Wereld en Zuid-Amerika doken op.

Met zijn specifieke repertoire kon het gezelschap zich lang onttrekken aan de politiek-inhoudelijke wensen die om de vier jaar uit Den Haag klonken. Maar vanaf de jaren negentig begon het ID speciale jongerenvoorstellingen te produceren, waarin hedendaagse stijlen als hiphop werden geconfronteerd met oudere populaire dansen. Ook werd verder gewerkt aan meer dramatische en theatrale samenhang, met Moeder India (1997) als een van de hoogtepunten. Het uitnodigen van regisseurs van buiten de folklore bleek een goede zet: de voorstellingen raakten verlost van de altijd wat naïeve suggestie dat met meer oog voor de overeenkomsten in onze volksdansen alle culturele verschillen probleemloos te overbruggen zouden zijn.

De vernieuwingsslag was echter te laat ingezet. Een enorm uit de hand gelopen exploitatietekort („Doorwerken en het er maar op aan laten komen” – dit motto van Van Altena tekende lange tijd het financiële beleid van het gezelschap) bood het Fonds Podiumkunsten twee jaar geleden de gelegenheid een sterker innovatief artistiek beleid én een uiterst pijnlijke reorganisatie af te dwingen. Dertig man, onder wie alle dansers en musici, werden ontslagen en sinds begin dit seizoen bestaat het Internationaal Danstheater alleen nog als backoffice. Per productie worden dansers, musici, choreografen en ontwerpers ingehuurd.

De jubileumviering heeft zo een wrange bijsmaak. Vijftig jaar na de oprichting is het Internationaal Danstheater terug bij af en zal het opnieuw moeten bouwen. Ironisch genoeg met een nieuwe artistiek directeur, Jan Linkens, die van huis uit geen volksdansadept is, maar afkomstig uit de wereld van de, in Van Altena’s termen, blauwbloedige klassieke dans.

Internationaal Danstheater met Puur-Barbaars. Landelijke tournee t/m 12 maart. Inl: intdanstheater.nl

    • Francine van der Wiel