Hoe herkennen wij onszelf als mens?

Dogs are dressed as a prison guard (R) and a prisioner during the 17th annual "Doggie Costume Halloween Party" at Riverside Park in New York on October 30, 2011. AFP PHOTO/TIMOTHY A.CLARY AFP

Vorige week was medisch wonder Marijke Helwegen te gast in Tijd voor Max. Halverwege het voortkabbelende middagprogramma voor senioren kreeg de bijna vierenzestigjarige, maar bizar strakgetrokken mediapersoonlijkheid een cadeau aangereikt. Het bleek een pluchen kameel. Omdat ze zo veel van dieren hield, zeiden de presentatoren. Helwegen houdt niet alleen veel van dieren, ze doet ze ook heel vaak na. Ze imiteert vaak vogelgetjilp. De kameel hield in dat zij binnenkort in een echt circus een heuse kamelenact mocht doen.

Door de veelheid aan ingrepen kon het gezicht van Helwegen niet meer betrekken, maar verder was aan alles te merken dat ze het geen leuk cadeau vond. Een circusact ging juist tegen haar gevoel van empathie met het dier in. De redactie van Tijd voor Max had haar radicaal verkeerd begrepen. „Ik doe het alleen als de kamelen het ook leuk vinden”, capituleerde ze uiteindelijk.

Verkeerd begrepen dierenliefde, het maakbare menselijke gezicht – het zijn thema’s die aan de kern raken van What It Means to Be Human, het nieuwe boek van de Engelse historica Joanna Bourke. Bourke wil haar lezers bewust maken dat hun denkbeelden over wat een mens is en vooral wat menselijk genoemd kan worden, geenszins vanzelf spreken. Alle verhalen die ze vertelt, dienen om haar lastige stelling tot de lezers te laten doordringen: „Dat de autonome, zelfbewuste ‘mens’ in het hart van het humanistisch gedachtegoed een fantasie is, een hersenschim.”

Wat onderscheidt de mens van het dier? Lang dacht men dat het taal moest zijn; zijn spraakvermogen stelde de mens niet alleen in staat over complexe zaken te communiceren, maar ook om zichzelf en zijn omgeving objectief te beschouwen. Anders gezegd, taal was nauw verbonden met denken. Dat maakte dat de mens aantoonbaar boven het dier stond. Anderen beschouwden juist het vermogen om te voelen – pijn, verdriet, de lach – als typisch menselijk; die debatten gingen vooral over of een dier kan voelen en zo ja, hoeveel. Mindere soorten waren minder omdat ze minder voelden – en konden dus best hardhandig behandeld worden. Die discussie is allesbehalve gesloten; naar aanleiding van het komende verbod op ritueel slachten blijkt ze nu niet minder heftig dan in de negentiende eeuw.

De historische stemmen die Bourke in haar boek laat klinken, laten een constante zien: wie het wil opnemen voor het welzijn van dieren, is geneigd die zo menselijk mogelijk voor te stellen. Wie bepaalde soorten mensen wil ontmenselijken om ze te kunnen vernederen of om ze te kunnen domineren, zoekt zo veel mogelijk dierlijke vergelijkingen. Alles komt voorbij in What It Means to Be Human: serieuze verhandelingen over hoe zwarten door hun dierlijke gezichtstructuur niet in staat zijn het volledige scala aan menselijke emoties te tonen, de vergelijkingen van vrouwenstemmen met het gekwetter van vogels in een volière. En, van de andere kant, de talloze voorbeelden van gedrag van dieren dat moreel vaak net zo hoogstaand is als dat van mensen. Ook die emotie is nog springlevend; Bourke noemt het voorbeeld niet, maar eens moet er een zwerver zijn geweest die ontdekte dat een hond naast hem meer sympathie opwekte dan alleen hijzelf.

Zulke emoties zijn zelden onschuldig. Nog vaker dan over de scheidslijn tussen mens en dier, gaat het over die tussen mensen onderling. Rode draad in Bourkes tjokvolle studie is de ingezonden brief van ‘An Earnest Englishwoman’ die in een krant werd geplaatst onder de kop: ‘Zijn vrouwen dieren?’ Daarin stelde de anonieme vrouw voor om vrouwen maar tot dieren te verklaren, waardoor ze tenminste meer rechten zouden krijgen dan ze tot dan toe als vrouw hadden.

Dat de man zichzelf als volmaakt menselijk beschouwde en de vrouw een stuk minder, had ervoor gezorgd dat vrouwen vaak minder wettelijke bescherming genoten dan dieren. Voor kinderen gold hetzelfde: Bourke laat zien dat in Engeland de kinderbescherming later ontstond dan de dierenbescherming – en dat de vereniging die opkwam voor mishandelde kinderen zichzelf volledig modelleerde naar de Society for the Prevention of Cruelty to Animals (1824).

De aanhoudende pogingen om een grens tussen het menselijke en het dierlijke te trekken, beschouwt Bourke „als de grootste stuwende kracht in de geschiedenis en het vormt tevens de inspiratie voor systematisch geweld”. Dieren, vrouwen, de economisch en politiek gedepriveerden – er zijn altijd genoeg redenen gevonden om hen volledige menselijkheid te ontzeggen. Doordat ze zo veel specifieke bronnen aanhaalt – dominees, suffragettes, biologen, slavenhouders – word je als lezer geconfronteerd met de pijnlijke gewaarwording dat mensen geneigd zijn hun feiten bij hun emoties te zoeken, en niet andersom. Keer op keer onderbouwt men zijn argumenten met pseudowetenschap, die alleen de mensen overtuigt die het graag willen geloven.

Een ander menselijk trekje dat steeds opnieuw in de geschiedenissen opduikt is dat de ander pas als ‘menselijk’ geaccepteerd kan worden wanneer hij volledig herkenbaar is geworden: om een volwaardig mens te kunnen worden, moet je passen in het bestaande beeld van wat een mens is. Omdat bijen zo weinig op mensen lijken, is het moeilijk te accepteren dat ze onderling communiceren in wat je een taal kunt noemen.

Bourke gaat ervan uit dat een deconstructie van die processen tot een andere idee van menselijkheid kan leiden. Bewustwording van de eeuwig onzekere demarcatie tussen mens en dier levert volgens haar meer op dan het steeds breder toekennen van rechten. Rechten zijn meestal universeel bedoeld, maar ze worden zelden of nooit universeel toegepast. Te vaak zijn rechten abstracties, die alleen binnen een bestaande maatschappelijke orde hun beslag kunnen krijgen. Een stateloze vluchteling heeft meestal bar weinig aan zijn ‘mensenrechten’. Net zo ziet Bourke weinig in het verlenen van rechten aan dieren, vooral omdat er dan onherroepelijk van dieren mensen worden gemaakt, en er bovendien een eigenaardige hiërarchie zal ontstaan: heeft een zeester minder rechten dan een chimpansee?

Wat we onder ogen moeten zien, is dat we het leven zelf nooit zullen kunnen doorgronden. „Het leven zelf is het centrale onderwerp geworden van iedere vorm van geïnstitutionaliseerde kennis, van de biologie tot de politiek en van de filosofie tot de geschiedenis.” Maar al die nieuwe kennis roept alleen maar meer vragen op. „In laatste instantie is het enige dat we zeker weten dat we dat niet doen.”

De kracht van What It Means to Be Human? is dat het op een overtuigende manier laat zien dat dat waar is. De scheidslijn tussen het menselijke en het dierlijke is veel vloeiender dan de meesten van ons denken of zouden willen. Waar de Britse historica aan voorbij lijkt te gaan, is dat die voortdurende neiging om grenzen af te bakenen, zowel tussen het menselijke en het dierlijke, als tussen het menselijke en minder menselijke, juist voortkomt uit het onvermogen om in twijfel en onzekerheid te leven. Het lijkt me een vorm van wensdenken dat de behoefte aan een vastomlijnde identiteit getemperd zal worden door het besef dat we in een onkenbare wereld leven – waarin het ons niet eens zal lukken onszelf te kennen. Het een wordt juist door het ander opgeroepen.

Dat de mens eens zal leren zichzelf te relativeren en andere levensvormen als gelijkwaardig te beschouwen, ik help het Bourke hopen. Er zijn weinig tekenen buiten de muren van de universiteiten die erop wijzen.

Joanna Bourke: What It Means to Be Human. Reflections from 1791 to the Present. Virago Press, 496 blz. Prijs 40 euro.