Geen zorgen, die sharia is allang ingevoerd in Egypte

Een islamitische revolutie in de Arabische wereld is niet te verwachten, denkt Maurits Berger. Die heeft zich allang voltrokken. Gevaarlijker is het morele gezag dat de islam al heeft gekregen.

De ruime zeges van islamitische partijen in de recente verkiezingen in Tunesië, Marokko en Egypte – respectievelijk Al-Nahda, de Moslimbroederschap en de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (PJD) – doen oude angsten herleven. Is de democratie voor deze partijen een middel om de macht te grijpen en een islamitische staat te vestigen? Of, als zij wel democratisch gezind zijn, zullen zij hun meerderheidspositie niet gebruiken om een islamitisch programma door te voeren?

Beide zorgen zijn onterecht. Ze zijn ingehaald door de ontwikkelingen die de politieke islam in de afgelopen decennia al heeft ondergaan. Het vestigen van de islamitische staat ‘van bovenaf’ – door een revolutie of een al dan niet democratische coup – was dertig jaar geleden een belangrijk onderdeel van de ideologie van de politieke islam, maar nu niet meer. Reeds in de jaren tachtig is een proces begonnen van islamisering ‘van onderaf’, door burgerlijk initiatief. Deze islamisering nam allerlei vormen aan, variërend van persoonlijke religiositeit tot welzijnswerk, in het algemeen vredelievend, maar soms ook gewelddadig.

De islam kreeg alom moreel gezag in uiterlijkheden als de hoofddoek, maar ook in praten en denken. Verwijzingen naar de Koran en de profeet werden in de jaren vijftig en zestig weggelachen, maar zijn nu standaard. Politici, intellectuelen en wetgevers maken gebruik van dit islamitische vertoog. Alleen dan word je gehoord en kun je overtuigen.

In deze zin heeft zich een ware revolutie voltrokken – niet zoals de Iraanse revolutie van 1979, maar een stille revolutie. Deze revolutie is niet opgelegd door een elite of ophitsende imams, maar wordt breed gedragen door de hele bevolking. Dit verklaart dat de Arabische wereld al decennialang in allerlei enquêtes en rapporten hoog scoort in twee wensen: democratie en islam (sharia). Dat lijkt voor veel westerlingen tegenstrijdig, maar is het niet. De islam staat voor een authentieke manier om invulling te geven aan een leven dat blootstaat aan corruptie, armoede en immoraliteit. Democratie staat voor zeggenschap over dat leven.

De islam hebben de burgers grotendeels zelf in de hand, maar voor democratie moeten zij eerst af zien te komen van de regimes. De islamitische revolutie heeft zich in de afgelopen decennia voltrokken. De democratische revolutie heeft dit gedaan in de afgelopen maanden. Deze twee processen cumuleren in verkiezingen. De macht van de islamitische politieke partijen zal daarom niet leiden tot schokkende maatregelen. Een land als Egypte kent al sinds 1982 het grondwettelijke voorschrift dat elke wet moet voldoen aan de sharia. Het schrikbeeld dat de sharia zal worden ‘ingevoerd’, is dus voorbarig. Dit is allang het geval. Zo ver gaat de wetgeving van Tunesië en Marokko niet, maar ook daar is niet te verwachten dat er ingrijpende maatregelen op religieuze grondslag zullen worden ingevoerd.

Is er dan geen vuiltje aan de lucht? Jawel, er is reden tot zorg, maar die is van een andere aard. Het probleem is niet wat de nieuwe politici zullen doen, maar hoe ze het zullen doen. Het venijn zit in het morele gezag dat de islam heeft verkregen in de afgelopen decennia.

Een teken aan de wand was het incident rondom de tekenfilm Persepolis in Tunesië, midden in de verkiezingsstrijd. Dit is de verfilming van een stripverhaal over een Iraanse vluchtelinge. In één scène richt zij zich tot God, die wordt afgebeeld. Enkele Tunesische ultraorthodoxen protesteerden hiertegen. Ook alle politieke partijen vonden het nodig om zich erover uit te spreken. Dit leidde tot omzichtige verklaringen dat men de vrijheid van expressie respecteerde, maar dat ook begrip moest worden getoond voor religieuze gevoelens. Hier wringt de schoen. Tussen religie als inspiratiebron voor een politieke partij en religie als taal waarin het politieke debat zich uitdrukt, zit een verschil. In dit laatste geval wordt de politieke moraliteit van goed en fout vervangen door een religieuze moraliteit. Dan zijn politieke tegenstanders geen opponenten of domoren meer, maar ketters en afvalligen. Dit vervuilt de politiek op een wijze die zeer onverkwikkelijk kan zijn.

De Arabische wereld heeft al vaker getoond hoe dit kan uitpakken. Acteurs, schrijvers, filmmakers, professoren en politici hebben te maken gehad met aantijgingen dat hun gedrag of uitspraken ‘onislamitisch’ zouden zijn. Dit is intimiderend, zelfs als zij het recht aan hun kant hadden. Het is deze sfeer van intimidatie en censuur die zorgen baart.

Maurits Berger is hoogleraar Islam in het contemporaine Westen op het Instituut voor Religieuze Studies aan de Universiteit Leiden, senior onderzoeker aan het Instituut Clingendael en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid.