De python is een menseneter

Soms valt een mens ten prooi aan een reuzenslang. Een Amerikaanse antropoloog verifieerde als eerste de anekdotische verhalen.

Ophidophobia, de angst voor slangen zit diep. Op een wand met foto’s van bloemen of paddestoelen, trekt een foto van een slang meteen de aandacht. Met reden. In een Filippijnse stam van jagers-verzamelaars blijkt een kwart van de mannen wel eens te zijn aangevallen door een netpython (Broghammerus reticulatus). Die wurgslangen zijn niet giftig, maar proberen prooien te bemachtigen door te bijten en hun slachtoffer dood te drukken. Twee onderzoekers, een antropoloog en reptielendeskundige, beschrijven de aanvallen vandaag in het wetenschappelijke blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Het gaat om de Agta, een stam van 600 mensen uit het noordoosten van de Filippijnen. Inmiddels leiden de Agta een agrarisch bestaan, maar tot de jaren negentig leefden zij nog als jagers-verzamelaars in het tropisch regenwoud. Net zoals in de rest van Zuidoost-Azië, leven daar pythons. Een volwassen python is een imposante verschijning. Vrouwtjes worden meer dan zeven meter lang en 75 kilo zwaar. Ter vergelijking: de gemiddelde Agta-man weegt 44 kilo.

Een beetje python moet een mens dus met gemak kunnen verschalken, maar bewijs dat ze ook echt mensen aanvielen en doodden was altijd anekdotisch. Tot nu. Antropoloog Thomas Headland, eerste auteur van het artikel, verzamelde gegevens van pythonaanvallen onder de Agta.

Headland kent de Agta door en door. Samen met zijn vrouw en kinderen leefde hij 24 jaar met ze samen, van 1962 tot 1986. Hij leerde hun taal en interviewde de stamleden regelmatig voor zijn antropologisch onderzoek. Jaren later, pas nadat hij een slangenkundige over zijn verzamelde informatie had verteld, realiseerde Headland zich dat hij unieke gegevens in handen had over de relatie tussen de mens en slang.

Meer dan een kwart van de 58 mannen die Headland in 1976 ondervroeg vertelde wel eens te zijn aangevallen door een python, tegenover één van de 62 vrouwen. Headland vermoedt dat dit komt omdat Agta-vrouwen minder tijd in het regenwoud doorbrengen dan mannen.

„Twaalf mensen konden ook een litteken laten zien”, zegt Headland aan de telefoon. „Eén man liep nog altijd kreupel.” De mannen hadden vooral littekens van bijtwonden op hun kuiten en dijen. De meesten werden in het regenwoud overvallen tijdens de jacht, of terwijl ze naar planten zochten. Veel mannen vertelden hoe ze de aanval van de python hadden afgeslagen met hun machete.

Ook gaf 16 procent van de geïnterviewden aan iemand te kennen die was gedood door een python. Omdat mensen geneigd zijn gewelddadige gebeurtenissen te overdrijven, trok Headland deze sterfgevallen bij andere stamleden. Steeds werden dezelfde zes namen genaamd. Zoals die van Mardyi (4) en Totoy (3), een zusje en broertje, die op 23 maart 1973 werden doodgebeten door een python die rond zonsondergang hun hut was binnengedrongen. Of die van Dinsiweg, die al was opgeslokt door een python toen zijn stamgenoten het dier vonden.

„De Agta vormen een kleine gemeenschap. Iedereen herinnert zich nog jarenlang dramatische gebeurtenissen die anderen zijn overkomen. Zoals de dood van een man die uit een boom was gevallen toen hij fruit plukte”, zegt Headland.

Hij rekende uit dat er elke twee, drie jaar wel iemand werd aangevallen door een netpython. Als elk van die aanvallen tot een dode zou leiden, zouden reuzenslangen meer slachtoffers eisen dan gifslangen of jaguars onder indianen in het Amazonegebied.

Waren de Agta bang voor de pythons? „Oh ja, zowel mannen als vrouwen waren als de dood voor de python”, zegt Headland. „Wij vermoeden dat de angst voor slangen aangeboren is. Ongeveer alle primatensoorten worden gegeten door slangen, van makaken, tot mensen en de halfapen in Madagaskar. Dit is al miljoenen jaren aan de gang. Pas recent sloeg de balans door in het voordeel van de mens, toen hij ijzeren wapens ontwikkelde, maar de angst zit er nog diep in.”

Headland leerde deze angst ook zelf kennen. „Op een dag rende een man opgewonden ons kamp binnen. Hij had een python gedood met een machete, wij moesten komen kijken en het dier helpen villen. Ik kreeg er de kriebels van, ook al was deze slang dood.”