De euro: we hebben het geweten

De Nederlandse media waren jarenlang lauwtjes positief over Europa.

Een eurocrisis was een te onwaarschijnlijk scenario.

A man holds a fake copy of "Time" magazine called "Fail" and showing Italy's Prime Minister Silvio Berlusconi outside Palazzo Chigi, Italy's Prime Ministry on November 12, 2011 in Rome. Italian Prime Minister Silvio Berlusconi was set to resign the same day after a parliamentary revolt and a wave of market panic that has shaken the eurozone, leaving behind an uncertain political future. AFP PHOTO / GABRIEL BOUYS AFP

Wat is er toch mis met de kwaliteitspers? Na de opstand der burgers en het langzaam opgloeien van het multiculturele drama schijnt die nu ook al de aanrollende eurocrisis te hebben gemist.

Althans, dat laatste stelde Volkskrant-journalist Martin Sommer vorige week zaterdag. Hij was geschokt teruggekomen van een rondgang langs oud-bewindslieden die betrokken waren bij de invoering van de euro. Ze waren ook toen al sceptisch! We hadden het kunnen weten!

Dat schreef hij op in een column, waarin hij de kwaliteitspers verweet dat die destijds „zat te slapen”. „De journalistiek, voor zover betrokken, vocht aan de kant van de politici die de euro wilden.” Het was „verwijtbare nalatigheid” geweest.

Afgelopen zaterdag herhaalde de krant het nog maar even. Iedereen had de ramp kunnen zien aankomen, kopte de Q&A-rubriek van Rob Vreeken. Vreeken stelde vierkant vast dat de euro was ingevoerd door „een combinatie van eurofiel gedram, kuddegedrag en intellectuele luiheid”. Het ging van „euro hosanna, joho en joechei”. Kritische kanttekeningen over begrotingsdiscipline? Welnee. „Daar hoorde je niemand over.”

Kortom. Terwijl de donkere wolken zich samenpakten boven het continent, deed ook de kwaliteitspers liever even een euroslaapje.

Maar is het waar? En als het waar is, hoe kwam het dan?

Inderdaad, de Nederlandse media waren – in het kielzog van de politiek – overwegend positief over de Europese eenwording, of nauwelijks geïnteresseerd in het onderwerp. Brussel stond vaak niet op de radar.

Maar er wáren dissidente geluiden, en niet zulke zachte ook. De lezers van NRC Handelsblad wordt al in januari 1997 schrik aangejaagd met een monumentaal interview (2.607 woorden) met de bestuurder van de Amerikaanse Federal Reserve, Lawrence Lindsey (‘Muntunie noopt tot federale begroting’, 21 januari).

Lindsey haalde hard uit naar de Europese plannen: de komende unie was onvoldoende toegerust om economische schokken op te vangen. „Stel dat straks een groot EMU-land, zoals Italië, zodanig in de financiële problemen komt dat het niet aan zijn verplichtingen kan voldoen.” De krant zette het op de voorpagina.

Waarschuwingen kwamen ook van VVD-leider Frits Bolkestein, Ralf Dahrendorf, hoogleraar H. Visser van de Vrije Universiteit, Ben Knapen, A.H.J.W. van Schijndel, Jos de Beus en Arjo Klamer. De lijn van de krant zelf, in de hoofdredactionele commentaren, was intussen onverholen Europees gezind, dat zeker – maar de nieuwskolommen waren geen exclusief feestje voor montere zangers van het „joechee, hosanna”.

Alleen, het is waar: tot veel publieke opwinding leidde dat alles niet. Geen politicus of bankier ging na die waarschuwingen van Lindsey handenwringend over straat. Kamervragen, tegenwoordig de ochtendreflex van elk Kamerlid, bleven uit.

Er is namelijk ook een psychologisch probleem. Met een crisis is het soms zo, dat je hem pas ziet aankomen als hij is uitgebroken – om het à la Cruijff te zeggen. Je kunt nu eenmaal niet in de toekomst kijken – en je ziet iets pas, als je het herkent.

Verwachtingen bepalen of informatie doordringt, weggedrukt wordt of niet opvalt. In december 1941, een beroemd voorbeeld, waren er tal van aanwijzingen dat de Japanners Pearl Harbor zouden aanvallen. Toch drong het slechte nieuws pas echt door toen die zondagochtend de eerste bommen insloegen. Het was simpelweg niet voor waarschijnlijk gehouden dat de oorlog nu juist daar zou beginnen. Achteraf sloegen inlichtingenofficieren zich voor hun kop: we hadden het kunnen zien aankomen! Nou, ja en nee dus.

Dat is ook de kern van waarheid in het „kennis van toen” argument waarmee toenmalig premier Jan Peter Balkenende zich in 2010 onder het rapport van de commissie-Davids over de Irak-oorlog vandaan probeerde te wurmen. Overtuigend was dat in zijn geval niet, omdat de kennis van toen verdacht veel leek op de kennis van nu. Maar het argument is geen onzin, zoals elke psycholoog weet. Een nieuw perspectief beïnvloedt de blik op het verleden.

Daarom kan een crisisbesef soms ook plotseling ontstaan. De meeste Nederlanders waren eind jaren negentig innig tevreden, nog maar een paar jaar voordat de Grote Onvrede werd gemobiliseerd door Pim Fortuyn. Raadsel? Nee, oorzaak en gevolg zijn niet uit elkaar te houden: Fortuyn produceerde de onvrede die hem produceerde. Hij bood een nieuw perspectief en vanuit dat perspectief was het recente verleden een ramp: de ‘puinhopen van Paars’.

In de eurocrisis speelt iets vergelijkbaars. Er waren allerlei signalen dat het avontuur grote risico’s had – en die zijn genoteerd in de kwaliteitspers – maar het heersende perspectief in de politieke en publieke cultuur was allesbehalve alarmistisch. De informatie kwam niet aan, omdat de tijd er niet rijp voor was – wat bijvoorbeeld wél het geval was met het essay van Paul Scheffer over die andere maatschappelijke kopzorg.

In Nederland, een land van luidruchtige en tegelijk stilzwijgende consensus, zie je dat vaker. In de jaren zeventig waren we met zijn allen links, nu zijn we rechts. Toen waren we tolerant, nu zijn we duidelijk. De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy sprak eens van de ,,curieuze hang naar nieuwe dogma’s” van Nederlanders, en hun neiging naar „plotselinge, radicale en massale bekeringen”. Tegengestelde visies botsen niet zozeer, maar volgen elkaar op. Van pro naar contra, van rechts naar links – en weer terug.

Dat zie je hier ook, zegt Claes de Vreese, hoogleraar politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam, die de berichtgeving over de Europese verkiezingen onderzocht. Nederland stond, als een van de zes ‘vroege’ landen die het initiatief namen voor de Europese Unie, vanzelfsprekend positief tegenover Europa. Bovendien is het land een „extreem voorbeeld” van wat bekend staat als een land met een permissive consensus. „We zijn het er allemaal over eens, zolang we er maar niet over praten.”

Dan is het simpel, zegt De Vreese: zonder politieke controverse geen debat in de media. „Je ziet dat goed na het referendum over de Europese Grondwet. Na het ‘nee’ van de bevolking beloofde de politiek: nu moeten we een debat organiseren. En toen werd het stil. Helemaal stil.” Bij gebrek aan inhoudelijke confrontaties slaagden politieke partijen er niet in om hun standpunten over Europa goed over het voetlicht te krijgen.

Kijk, en daar zijn dan de brave media van Sommer en Vreeken. In de twee weken voor de verkiezingen van 1999 besteedden alle omroepen er bijvoorbeeld in totaal twee keer aandacht aan, één keer bij de NOS en een keer bij RTL. Pas bij de verkiezingen van 2009 was er, door de frictie tussen D66 en de PVV, meer berichtgeving.

Kortom. Diepe slaap, kuddegedrag en luiheid van journalisten?

Misschien, maar de ongewisse toekomst, de psychologie van het gevestigde perspectief en de Nederlandse consensuscultuur speelden een even grote rol. „Of dit specifiek iets zegt over de Nederlandse journalistiek, dat betwijfel ik”, zegt De Vreese. „Er is een veel breder probleem als het om Europa gaat.”

Op naar de volgende crisis die we niet hebben zien aankomen!

Sjoerd de Jong is ombudsman van nrc.next en NRC Handelsblad

    • Sjoerd de Jong