Als de dobbelstenen op tafel komen...

Zo tegen het einde van het jaar zijn de avonden lang, is de cv warm en zitten de keukenkastjes vol overgebleven banketletters – een ideaal moment om je vrienden op te trommelen voor een spelletjesavond.

Mijn liefde voor spelletjes is groot maar kieskeurig: ik haak af als een spel te veel spelregels heeft (‘maar de bezitter van de Vogelaarkaart mag alleen zijn eitje bewegen als hij eerst heeft gevraagd of er mensen hun Schijtlijsterfiches willen inzetten, en als iemand ‘Broeds!’ roept en ook alle vijftien Veertjes heeft verzameld, is het spel sowieso afgelopen’), en zodra een spel te tactisch is, of juist te veel van geluk afhangt, verlies ik ook mijn interesse. Spellen als Trivial Pursuit, het Woordenboekenspel, Weerwolven en het Namenspel (ook wel: Dozenspel, Hoedenspel, Who’s the man) kan ik daarentegen nachtenlang spelen.

Als je met vrienden een spelletje gaat spelen, is het goed om je te realiseren dat zodra er dobbelstenen op tafel komen of kaarten worden uitgedeeld, alle deelnemers geruisloos een transformatie ondergaan. Vanaf dat moment neemt hun Spelletjespersoonlijkheid het over. Deze identiteit kan totaal verschillen van hun normale gedrag, waarin het gezellige mensen zijn die van hun werk houden, ook de moeilijk bereikbare randjes van hun wc schoonmaken en vaak een daklozenkrant kopen. Wat het zo ingewikkeld maakt: de types werken elkaar allemaal tegen. Zo heb je de Bloedfanatiekeling: zodra er een zege te behalen valt, krijgt deze persoon een trillend spiertje bij zijn oog. Tijdens de strijd is alles geoorloofd: oprecht kwaad zijn, uitzinnig juichen en vooral je zichtbaar verkneukelen om andermans pech. De grootste vijand van dit type is de Kletser: deze persoon is totaal niet geïnteresseerd in winnen en begint tijdens beslissende spelmomenten, zich van geen kwaad bewust, een gesprekje over dat ene lekkere stoofschotelrecept. Ook mogelijk: „Ooooh ben jij nu dood? Dat vind ik zielig, neem maar wat van mijn punten.” Daarnaast is er de Valsspeler: iemand die ook ver na zijn of haar kindertijd nog kaarten zoek maakt, afleidingsmanoeuvres bedenkt en creatief de puntentelling bijhoudt. Dit alles tot grote ergernis van de Spelregelnazi: degene die alles strikt volgens de regels wil spelen en absoluut geen mededogen kent voor afwijkingen, zelfs niet als iemands kleine broertje meespeelt en ‘vlinder’ antwoordt op de vraag ‘een vliegend dier met een f’. (Ik ben zelf duidelijk een Spelregelnazi). Dan hebben we ook nog de Bruggenbouwer: iemand die zich voornamelijk bezighoudt met het groepsproces: „Kom op jongens, laten we het nou wel een beetje gezellig houden.” Voor deze persoon geldt alleen of er ook moreel is gewonnen. De groep wordt vervolgens vervolmaakt met een Hoofdschudder: iemand die dacht dat er in harmonie een spelletje gespeeld zou worden, maar geconfronteerd werd met een groepje gekken, en die zich nu liever wat afzijdig houdt.

Het is dus vooral zaak om te onthouden – terwijl je net iets te hard voorleest uit het spelregelboekje of overweegt in één beweging het speelbord om te keren – dat het maar even duurt: zodra het spel is afgelopen, zijn het gewoon weer je vrienden.

Renske de Greef

    • Renske de Greef