Twee dooie kanaries

Het jaar 2054 trok mijn aandacht voor het eerst aan het eind van de vorige eeuw. Tijdens een vergadering van mijn vereniging van huiseigenaren deelde het bestuur grote vellen papier rond waarop stond uitgerekend hoeveel contributie wij als leden jaarlijks moesten betalen, bij een inflatie van 1,5 procent, tot aan het jaar 2054.

Het bestuur stak de papieren triomfantelijk in de lucht. Dit was berekend, zei het, door de computer! Met Excel! We zwegen. We staarden in stomme bewondering naar het bedrag dat we over een halve eeuw zouden gaan betalen voor het snoeien van de rododendrons en de rozen. En we zouden daar nu nog steeds gezeten en gestaard hebben, als wij niet kort daarna allemaal van ouderdom waren gestorven. Behalve ik natuurlijk. Ik ben verhuisd.

Een paar jaar eerder had het bestuur van onze vereniging van eigenaren nog bestaan uit negentiende-eeuwse professionals. Een huisarts uit Indonesië. Een freule die beroepshalve betrokken was bij de stier Herman. Een zelfbenoemde ‘clochard de luxe’. Een bibliothecaris. De eerste vergadering die ik er ooit had meegemaakt ging over een berk, en dat beviel me meteen, want ik kwam uit een wereld van onmogelijkheidsstellingen en onrechtmatige overheidsdaden, en ik had nog nooit over een berk nagedacht.

De aandacht voor het concrete van deze ouderwetse denkers pakte wonderwel uit. Ze sjacherden een beetje rond in het dorp, ze marchandeerden wat en ze charterden een mannetje dat om vijf uur ’s ochtends zout kwam strooien als het sneeuwde. Maar toen, vlak voor de millenniumwisseling, kwamen er jonge en snelle mensen in de huizen wonen. Die vonden zo’n mannetje niet transparant. Het werk moest worden aanbesteed. De commerciële sneeuwruimers uit de stad die vervolgens na verhitte onderhandelingen werden ingehuurd, kostten onnoemelijk veel geld – en ze kwamen niet.

Er ontstond een sociologisch interessante tweedeling in de vereniging. Een tegenstelling tussen zij en wij. De oude mensen spraken over rentmeesterschap en liepen rond met een snoeischaar in hun hand. De nieuwe mensen, van wie de meesten een baan hadden bij een farmaceutisch bedrijf of een verzekeringsmaatschappij, vonden dat de vereniging bedrijfsmatiger moest gaan werken. Ze wilden het geld van de reserves beleggen en de contributie uitsplitsen naar het genot dat iedere bewoner afzonderlijk had van de toverhazelaars en de lelietjes-van-dalen.

En zo besefte ik voor het eerst in mijn leven dat bedrijfsmatigheid haaks staat op ondernemerschap. Want de snelle mensen hadden het niet over ingrepen in de werkelijkheid, niet over het bevorderen van groei en productiviteit. Ze bemoeiden zich niet met de composthoop naast de parkeerplaats en niet met de vraag of de timmerman koffie moest hebben. Hun belangstelling ging vooral uit naar de jaarstukken en Excel-spreadsheets. Dit waren geen mensen met een bedrijf, maar met een baan bij een bedrijf en wat ze binnen brachten was een private vorm van bureaucratisering.

Later herkende ik deze omslag overal in de wereld. De werkelijkheid raakte steeds verder ondergesneeuwd onder de afgeleiden van de werkelijkheid. Goederentransacties werden afgetroefd door geldtransacties. Aandeelhoudersbelangen namen een voorrang op het gewone werk dat gedaan moest worden. En de stenen hadden, zoals bekend, niets meer te maken met de hypotheken die erop werden afgesloten. Alles zong los. De meningen van de feiten. Het geld van de dingen. De analyses van de geschiedenis. Alles werd virtueel.

Het nadeel van die virtualiteit was dat ze zo superieur oogde. Je kunt wel beweren dat het veel ingewikkelder is een tuin te onderhouden dan een willekeurig inflatiepercentage in te voeren in een softwareprogramma, maar wie wil dat geloven? De abstracte aanpak zag er stukken minder onnozel uit dan de aanpak met de hark en de schoffel. En dus verloren de oude mensen hun gezag en lukte het ze niet in de vergadering het belang van de berk nog te verdedigen. Zo kwamen de jongens met hun Excelsheets aan de macht.

Dat ik tegenwoordig vaak aan het jaar 2054 denk, komt niet alleen doordat ik me afvraag hoe hoog de inflatie dat jaar zal zijn. Ik ben vooral benieuwd of de crisis die we nu beleven, ons voor die tijd nog zal verzoenen met de werkelijkheid. Of het blinde geloof in efficiëntie en Excel iets zal bedaren.

Maar misschien blijven we voor eeuwig opgescheept met de tegenstelling tussen twee mensentypes die elkaar nooit echt zullen begrijpen. Toen ik indertijd aan mijn oude, tuinierende buurvrouw vroeg wat ze vond van de nieuwe bestuursleden met hun hartstocht voor calculatie, zei ze: „Ach. Het zijn aardige mensen. Maar als je met ze praat, is het net of je op twee dooie kanaries trapt.”

Die zeldzaam vileine uitspraak citeer ik sindsdien met smaak. Want naast de rentmeesters die hun tuin cultiveren, en de rekenmeesters die bedrijfsmatig denken, is er nog een derde mensentype. En dat vindt eigenlijk alles best, als het maar een verhaal oplevert.