Over ijpsen, ijpslijsters en ijpskasten

Vorige week ging het hier even over ijpsen voor ‘zeuren’. Dit woord is vrijwel nergens vastgelegd en je zou dus kunnen stellen dat het onbelangrijk is, tenzij je laat meewegen dat zeuren onze nationale hobby is.

IJpsen is een afleiding van ijps, zoveel is duidelijk, dat voor ‘zeurpiet, zaniker’ werd gebruikt. Iemand schreef: „In de jaren vijftig was ijps (of ijbs, ik heb het woord altijd alleen maar gehoord) zeer gebruikelijk in de Amsterdamse Bijenkorf voor ‘lastige klant’; mijn vader was daar filiaaldirecteur.”

Iemand anders schreef: „Ik ken het woord ijpsen heel goed via mijn moeder. Zij was van 1913, geboren en getogen op Wittenburg in Amsterdam en bezocht na de lagere school een Joodse ULO. Bovendien heeft zij zowel voor als na de oorlog gewerkt bij de Bijenkorf. Mijn moeder was een flinke vrouw die van aanpakken hield en die mij dus menigmaal toeriep ‘zit niet zo te ijpsen’, in de betekenis van ‘zeuren’ of ‘zaniken’.”

Er waren meer informanten die specifiek naar de Bijenkorf verwezen – iets wat ik in deze rubriek niet eerder heb meegemaakt. Zo schreef een lezer uit Middelburg: „Omstreeks 1960 werkte ik enige tijd in de Haagse Bijenkorf. Onder het personeel bevonden zich nogal wat personen met een Joodse afkomst, die de Jiddische woorden die ze thuis hadden geleerd soms gebruikten als „geheimtaal” om vertrouwelijk met elkaar te kunnen communiceren. Een prachtig voorbeeld daarvan was de verkoopster die door een collega werd geroepen om ergens mee te helpen. Ze kon zich op dat moment echter niet losmaken van een eindeloos zanikende klant die zich aan haar had vastgeklampt. Toen schalde het door de winkel: ‘Nu even niet want ik heb een ijps.’ Een woord om nooit te vergeten.”

Nog twee korte Bijenkorfverwijzingen. Een man van 78 uit Leersum schreef: „Meer dan een halve eeuw geleden kwam ik in de niet-openbare ruimten van de Bijenkorf over de vloer als reclametekstschrijver én als redactiesecretaris van het personeelsblad Bij&Korf. Daar werd ‘ijps’ alom gebruikt als aanduiding voor een vervelende (vrouwelijke) klant.” En een vrouw uit Bunnik schreef: „In 1960 heb ik voor mijn stage drie maanden als verkoopster in de Bijenkorf in Amsterdam gewerkt, op de badpakkenafdeling. Een ijps was een klant die zeurde. De ervaren verkoopsters waarschuwden je daarvoor, zij kenden hun publiek.”

Waren ijps en ijpsen dan alleen bekend bij de Bijenkorf? Nee, het werd ook elders gebruikt, maar alles wijst erop dat het woord inderdaad Joodse wortels heeft, hoewel ik die niet heb kunnen achterhalen. Een verband met het Jiddische eitse voor ‘raad, advies’ lijkt mij onwaarschijnlijk.

Waarschijnlijk gaat het om Joods-Amsterdams, en zeker tien informanten brachten ijps en ijpsen in verband met de textielhandel, lang een terrein waarin veel Joden werkzaam waren. Zo schreef iemand: „Mijn moeder (1912-1995), afkomstig uit een Joods zaken/winkeliersmilieu, gebruikte ijpsen in de volgende betekenis: een kledingwinkel binnenstappen, van alles uit de rekken laten halen door het personeel om vervolgens, zonder iets te kopen, zonder een spier van het gezicht te vertrekken, het pand te verlaten.”

Er is ook een samenstelling met ijps gesignaleerd, namelijk ijpslijster. Een vrouw schreef: „Ik groeide op in Voorburg in de jaren 1940-’50 en zeurpieten werden door ons ijpslijsters genoemd. Dat was een woord dat je nergens kon lezen, alleen maar horen.”

Tot slot wezen nog diverse lezers op ipsen in een Bommelverhaal, maar dat heeft een heel andere betekenis en heeft hier verder niks mee van doen. Hetzelfde geldt voor het curieuze ijpskast, bij diverse lezers bekend in de betekenis ‘een kast met glazen deuren, gebruikt als vitrinekast’.

Ik vermoed dat ik ijpskast weer snel zal vergeten, maar ijpsen en ijpslijster (zonder twijfel familie van de schijtlijster) houd ik erin.