Indrinken Doorhalen Leegpompen

Een zaterdagnacht op de spoedeisende hulp in het Amphia ziekenhuis te Breda. Foto: Peter de Krom

Op naar de kroeg

22.00 uur. Haren in de gel. Wijde spijkerbroek, Adidas-gympen en een wit strak hemd. Ronnie de Ley (17) heeft er zin in. Het is alweer even geleden dat hij op stap ging. Zelfs zijn oudere broer – Gert-Jan (26), net vader geworden – gaat mee. Thuis drinken ze alvast een biertje of zes. Dat tempo gaat omhoog in café de Suikerkist in Breda. Gezellig druk daar. Leuke meisjes ook.

Dan gaat het mis. Ronnie, net terug van de wc, kan zijn broer nergens meer vinden. Hij wurmt zich naar buiten en ziet Gert-Jan liggen. Eén jongen zit bovenop hem, de rest staat eromheen. Ze rammen hem op zijn hoofd. Ronnie gaat door het lint. Hij deelt een paar klappen uit en gooit met terrasstoelen.

Ondertussen in het ziekenhuis

00.15 uur. Verpleegkundige Margreet – uit veiligheid hebben medewerkers van een ziekenhuis geen achternaam – schenkt in de personeelskamer een kop koffie in. Ruim een uur geleden is haar nachtdienst begonnen op de Spoedeisende Hulp van het Amphiaziekenhuis in Breda. Ze trof er een avondploeg die zich letterlijk in het zweet heeft gewerkt.

Eerst twee slachtoffers van een auto-ongeluk. Toen een 75-jarige man die een festival had bezocht. Op de terugweg viel hij uit de taxi. Hoofd op straat. Diagnose: forse hoofdwond en een alcoholpromillage van 2,98.

Verpleegkundige Jeroen wrijft het zweet van zijn voorhoofd en wijst op zijn loodschort. Uren staan zwoegen in de behandelkamer, zegt hij. Hij zet een kan water aan zijn mond.

De spoedeisende hulp in Breda is een van de grootste in Nederland. Er komen jaarlijks 40.000 patiënten – met wonden, botbreuken, darmontstekingen en hartproblemen.

Maar op zaterdagavonden is er meestal een ander probleem. „De helft is dronken”, zegt Jeroen. Af en aan komen ze, de patiënten met „alcoholgerelateerde” aandoeningen: onderkoeling, in coma, vergiftigd of gewond. En hun aantal groeit.

Vooral onder jongeren. Het aantal ‘comazuipers’ is nog nooit zo hoog geweest, blijkt uit een net verschenen onderzoek. In 2010 zijn 684 tieners door alcoholmisbruik in het ziekenhuis beland. De jongste was 11, de oudste 17. „Het wachten is op de eerste jongere die zich dooddrinkt”, zegt kinderarts Nico van der Lely, die aan het onderzoek meewerkte .

Aankomst bij de eerste hulp

2.30 uur. De gangen van de spoedeisende hulp zijn uitgestorven. Verpleegkundige Margreet spuit onder de brandwondendouche een bed schoon. Bij de wc schuifelt een vrouw in ochtendjas.

Plots begint er een sirene te loeien. Er komt een ambulance binnen. Margreet schuift het gordijn van een behandelkamer opzij. Achter haar rollen twee ambulancemedewerkers een brancard de gang op. „Opgepikt in het centrum. Mishandeld met glas. Behoorlijk wat bier op.”

Bruine bellen speeksel schuimen uit zijn mond naar buiten. Het is Ronnie de Ley. Hij zit van zijn hoofd tot zijn knieën onder het bloed. Hij huilt en smijt een pakje Lucky Strike op de grond. Sorry, roept hij dan. Margreet kan nog net een bakje onder zijn mond duwen.

Margreet: „Wat is er gebeurd? Vertel eens even.”

Ronnie: „Ga ik dood?”

Margreet: „Nee joh.”

Ronnie: „Ik verlies bewustzijn.”

Margreet: „Kom op. Je was in de stad. In een café. En je hebt gedronken. Hoeveel?”

„Twaalf ofzo. Bier.”

„Nog iets anders?”

„Tequila.”

Margreet praat luid tegen Ronnie. Ze klinkt strenger dan ze is. Terwijl hij ligt te kronkelen van de pijn, doorloopt zij Ronnies ‘vitale functies’. Kan hij ademen? Is hij wakker? Reageert hij op prikkels?

„Mevrouw, mevrouw”, piept Ronnie. „Ik kan niet meer zien.”

Margreet: „Ben je buiten bewustzijn geweest? Wat voor dag is het vandaag?”

Ronnie: „Vrijdag of zaterdag.”

„Het is zondag”, zegt Margreet. „Weet je waar je bent?”

Ronnie: „Bij jullie.”

Margreet draait met haar ogen. „Grapjas. Vertel eens, waar ben je?”

En dan rolt het verhaal eruit. In een biecht van minder dan vijf minuten legt Ronnie alles op tafel. Dat hij de laatste drie weken steeds meer alcohol gebruikt. En dat terwijl hij nog maar zeventien is, roept hij. Dat hij gevochten heeft, omdat zijn broer werd aangevallen. En dat hij toen die fles bier in zijn gezicht kreeg. Hij zucht, trappelt met zijn benen en praat tegen een denkbeeldig publiek.

„Ik ben een terminator. Ik ga nooit knock-out.”

Margreet luistert, tikt zijn verhaal op en belt na overleg zijn ouders en de oogarts uit bed. „Dat oog, dat ziet er niet goed uit.”

Ronnie roept ondertussen vanuit de behandelkamer: „Het zeikt uit mijn hoofd!”. „Ik voel het. Ik ga dood!” Als Margreet weer aan zijn bed staat, wil hij weten waar zijn broer is. „Is hij dood?”

Artsen liegen niet. Dus hoe het met zijn broer is, en of het goed komt met zijn oog, dat kunnen ze hem die avond niet vertellen. De oogarts weet alleen dat hij zo snel mogelijk geopereerd moet worden. Ze ziet een gaatje in het hoornvlies, misschien zelfs in de lens van zijn oog. „Er moet snel iets gebeuren, anders kun je straks niks meer zien.”

Bij oma thuis, een maand later

14.00 uur. Ronnie knijpt met zijn oog. Er komt troep uit, zegt hij. Wat er die bewuste nacht precies gebeurd is, weet hij niet meer.

Zijn broer is hersteld van een hersenschudding, maar Ronnie zelf durft de kroeg niet meer in. Hij krijgt de zenuwen als hij erover moet praten. Hij is bang voor groepen en al kilo’s afgevallen.

Hij glipt de voorkamer in om een joint te roken.

Met zijn linkeroog ziet Ronnie nog veertig procent. Te weinig om goed diepte te kunnen zien. Vorige week is hij tegen een muur opgelopen. Ook zijn arm zit nu in het gips. „Ik kan mijn carrière als lasser wel vergeten.”