Het kompas bibbert een beetje

Het fenomeen religie leek ten dode opgeschreven, maar niets blijkt minder waar.

De kerken lopen weliswaar leeg, maar we willen ergens in kunnen geloven.

Nederland, Venlo, 21-11-2007; Gipsen heiligenbeelden, bedekt onder een dikke laag stof. De Venlose Sint Joseph Beeldenfabriek was in 1962 een gezond bedrijf, waar 40 mensen beelden maakten; heiligenbeelden en kerststukken. Toen schafte paus Johannes XXIII, tijdens de tweede concilie, de heiligenbeelden in de kerk af. De markt stortte in en drie jaar later, in 1965, ging de fabriek failliet. De directeur sloot de deuren en dicht bleven ze, veertig jaar lang. Nog even mocht er worden rondgekeken, dan gaat de fabriek plat, en komen er woningen. Foto's Vincent van den Hoogen

Met de Kerstdagen in zicht is het geen overbodige luxe om eens stil te staan bij de zin van het leven. In maart voorspelden Amerikaanse wetenschappers nog dat religie in Nederland binnen enkele decennia zal uitsterven. „Het idee is simpel”, aldus onderzoeksleider Richard Wiener, „ons model stelt dat het aantrekkelijk is om je aan te sluiten bij sociale groepen die veel leden hebben. Ook gaat het model ervan uit dat sociale groepen een bepaalde status hebben en nut met zich meebrengen.”

De conclusie was snel getrokken: de God van Nederland mag definitief zijn biezen pakken. Ook sociologen hebben religie jarenlang als een uitstervende hobby beschouwd. Iemand die studeerde in de jaren zestig of zeventig van de twintigste eeuw leerde dat geloven een anachronisme is. De grote ideologische debatten gingen over communisme versus kapitalisme. Godsdienst was achterhaald.

Maar in de jaren tachtig en negentig werd geloven opeens weer hip. Niet alleen de nieuwerwetse kwakzalvers maar ook de orthodoxe religies profiteerden van een oplevende behoefte aan zingeving. De Protestantse Kerk mag tegenwoordig dan wel 50.000 leden per jaar verliezen, er komen ook steeds meer evangelische ‘megakerken’ bij.

Toch is er iets veranderd. Om te begrijpen wat er met ons geloof is gebeurd, moeten we terug naar de negentiende eeuw. Dit was misschien wel de meest religieuze eeuw aller tijden. Maar het was ook de tijd van de eerste diehard-atheïsten. Ludwig Feuerbach (een soort Richard Dawkins) zei bijvoorbeeld: ‘Der Mensch ist, was er ißt’ – de mens is wat hij eet. Zijn collega Charles Darwin was minder radicaal. De beroemde bioloog durfde het lange tijd niet aan om zijn evolutietheorie bekend te maken; hij wilde zijn strenggelovige vrouw niet voor het hoofd stoten. Darwin zei dat zijn ontdekking voelde als ‘het bekennen van een moord’ – de moord op God, zou Nietzsche er later aan toevoegen.

Het dilemma van Darwin was hét dilemma van de 19de eeuw. Maar juist omdat sommigen de vanzelfsprekendheid van het geloof gingen betwisten, gingen anderen het intenser beleven. Tegelijkertijd is de mens op zoek gegaan naar nieuwe bronnen van zingeving. Laten we eens kijken wat er sinds de negentiende eeuw zoal op de reli-markt is verschenen.

Te beginnen met de socioloog August Comte, die er van overtuigd was dat de wetenschap het geloof had verdreven. Maar stiekem kon ook hij niet zonder een diepere vorm van zingeving. Daarom besloot hij de wetenschap zelf in een religieus jasje te steken. Comte benoemde zichzelf tot de hogepriester van de ‘Religie der Mensheid’. Hij zag zijn religie als ‘christendom min bijgeloof’. Als religie was het compleet: ritueel, liturgie, sacrament en priester – alles moest ten dienste staan van de heilige Mensheid.

Voor weer anderen was het niet de wetenschap, maar de kunst die een religieuze rol ging vervullen. Zo werd de dichter Goethe door zijn volgelingen als een ware heilige beschouwd. Zijn boek Het lijden van de jonge Werther (1774) gaat over een jongen die hopeloos verliefd is op een meisje dat al een ander heeft. Het romantische gezwijmel van Werther doet nu bijna hilarisch aan – ‘O Lotte! Wat herinnert me niet aan jou!’ – maar indertijd was het een enorme bestseller. De Wertherkoorts brak uit: in heel Europa kleedden jonge mannen zich als de ongelukkige Werther (blauwe jas, geel vest). Om zich vervolgens ook door het hoofd te schieten. Het lijden van de jonge Werther zou het nachtkastje van Napoleon nooit verlaten hebben.

Voor de romantici werd de kunstzinnige ervaring het toppunt van zingeving. Kunst ontsteeg de didactische of decoratieve functie die het eerder had vervuld. Voortaan ging het de diepste waarheid over ons bestaan vertellen. L’art pour l’art is dan ook een negentiende-eeuwse uitvinding.

Iedereen die weleens op een familiefeest is geweest weet dat er twee verboden onderwerpen zijn bij dergelijke gelegenheden: religie en politiek. Voor je het weet blijkt je oom een PVV’er te zijn en je tante een Jehova. Dan begint het gedonder. In de negentiende eeuw gingen religie en politiek steeds meer in elkaar overlopen. Het nationalisme, communisme en fascisme kunnen we zelfs als politieke religies beschouwen. Politiek radicalisme ging voorzien in dat wat traditioneel tot het domein van de godsdienst behoort: zingeving.

Dus wat is er gebeurd met de zin van het leven? Een ding is zeker: als secularisering betekent dat ons religieuze kompas wordt uitgeschakeld, dan bestaat het eenvoudigweg niet. Maar het kompas is gaan bibberen en wijst inmiddels allerlei richtingen op. Dat is ‘relishoppen’ of, zoals Ronald Plasterk het heeft genoemd, ‘ietsisme’. Ik kan me een hindoestaans meisje op mijn middelbare school herinneren die tijdens een kerstviering zei dat ze van alle religies het beste nam en zo haar eigen religie creëerde. Dat leverde haar hoongelach op en mezelf kennende brulde ik hard mee. Maar inmiddels realiseer ik me dat zij al vroeg had begrepen dat religie niet over eeuwige waarheden, maar over eeuwige behoeftes gaat.

De tragiek van de atheïsten, waar ik mezelf ook toe moet rekenen, is dat ze God vaarwel hebben gezegd maar ten diepste niet zonder zingeving kunnen. De Amerikaanse wetenschappers uit het begin van dit artikel vergaten dat religieuze instituties wel kunnen verdwijnen, maar dat dit niets verandert aan onze religieuze behoeftes. Religie is niet te vereenzelvigen met haar sociale voordelen. Het is een fundamentele behoefte – of we er nu in geloven of niet.

Deze Kerst dus toch maar weer eens naar de kerk.

Rutger Bregman is historicus. In maart verschijnt zijn boek ‘Met de kennis van toen’ (De Bezige Bij). Twitter: @rcbregman

    • Rutger Bregman