Een roman met dertien gezichten

Jennifer Egan won een Pulitzer met haar roman over de verandering van Amerika.

In Bezoek van de knokploeg heeft elk hoofdstuk een andere vorm.

„Iedere schrijver houdt ervan om rivalen te hebben, en Jonathan Franzen is een waardige.” Jennifer Egan (1962), dit jaar winnares van zowel de National Book Critics Circle Award als de Pulitzer Prize, antwoordt inmiddels geroutineerd op de vraag of zij het afgelopen jaar heeft beleefd als een langlopende competitie tussen haar verhalencyclus A Visit from the Goon Squad en Franzens familieroman Freedom. Beide boeken beschrijven de manier waarop Amerika in de laatste decennia is veranderd, en beide doen dat aan de hand van veel personages die in hun ontwikkeling (lees: teloorgang) worden gevolgd. Maar terwijl Franzen zich concentreert op de erfenis van het idealisme en de vrijheidsdrang van de jaren zestig, boekstaaft Egan de nasleep van de seks en drugs en rock-’n-roll van de late jaren zeventig. En waar Franzen één verhaal vertelt in de vorm van een klassieke roman, verbindt Egan dertien verhalen – over onder anderen een nietsontziende platenbaas, een popzanger op zijn retour en een ontspoorde journalist – losjes met elkaar.

Een mozaïekroman is A Visit from the Goon Squad genoemd; een waarvan elk hoofdstuk in een andere vorm geschreven is – van een verhaal in de eerste persoon enkelvoud tot een powerpointpresentatie. Dat was van begin af aan de bedoeling, zegt Egan, die ter gelegenheid van de vertaling van haar boek een bliksembezoek aan Amsterdam en Den Haag brengt. „Ik wilde drie dingen: ieder hoofdstuk moest een andere persoon in het middelpunt zetten, ieder hoofdstuk moest in stijl en stemming verschillen, en ieder hoofdstuk moest op zichzelf staan. Tegelijkertijd moest de som meer zijn dan de delen.”

Egan was zich ervan bewust dat de variatie in Goon Squad geen gimmick moest worden. „Als een boek alleen maar experimenteel is, en daarmee koud en onflexibel, is het D.O.A.: dead on arrival. De vorm moest uit het verhaal voortkomen, en dus is het hoofdstuk over de journalist die het onderwerp van zijn artikel aanrandt, geschreven als een loving parody van de reportages van wijlen David Foster Wallace, met overdreven uitweidingen en voetnoten. Bij de powerpoint werkte het trouwens andersom. Ik wilde zo’n hoofdstuk schrijven, maar wist aanvankelijk niet bij welk personage dat zou passen: als je een manager zoiets laat doen, verf je rode rozen rood. Maar ik was ook nog op zoek naar een manier om iets te kunnen zeggen over het toekomstige leven van Sasha, die ik in het openingshoofdstuk heb getekend als een onzekere kleptomane. Als je een van haar kinderen gewoon over het gezinsleven zou laten vertellen, wordt het al gauw sentimenteel. De kilte van de powerpointpresentatie zet de lievigheid onder stroom.”

Egan vertelt dat ze zeker wist dat haar roman („eigenlijk een conceptalbum met verschillende soorten muziek die één verhaal vertellen”) zich in de muziekwereld moest afspelen. En dat terwijl ze er weinig vanaf wist: „Ik woonde rond 1980 in San Francisco, een van de steden waar mijn verhaal zich afspeelt, maar ik was geen muziekfanaat. Als ik naar de punkrockclubs ging, kwam ik er geschokt uit; The Who was me ruig genoeg, en net als sommige van mijn personages was ik vooral gefrustreerd over het feit dat ik de Sixties gemist had. Ik heb me moeten inlezen, vooral Our Band Could Be Your Life van Michael Azerrad, over de indie underground in de jaren tachtig, was onmisbaar; en voor de stukken in mijn roman die over de moderne muziekindustrie gaan – zeg maar tijdens en na de internetrevolutie – heb ik veel gehad aan een reportage die ik heb gemaakt voor The New York Times.”

In het laatste, in de toekomst gesitueerde hoofdstuk van het boek zegt de man die eens een grote platenbaas was ‘dat het niet meer gaat om de sound. Het gaat zelfs niet meer om muziek. Het gaat om je bereik.’ Hij noemt dat een bittere pil die hij heeft moeten leren slikken, en Egan kan het alleen maar met hem eens zijn. „Het streven naar zoiets vaags als bereik in plaats een betalende klantenkring is de basisfout die bijna iedere bedrijfstak heeft gemaakt in de confrontatie met het internet. Het was de gedachte achter het gratis weggeven van informatie, en die is weer de oorzaak van het opgroeien van een hele generatie jongeren die er geen been in ziet om illegaal te downloaden – zeg maar een generatie van dieven. In de muziekindustrie en de boekenwereld is dat misschien niet rampzalig, maar in de journalistiek baart het me grote zorgen. Wie betaalt in de toekomst onze nieuwsvoorziening? Hoe vinden we een businessmodel dat ervoor zorgt dat we profiteren van internet en er niet door vernietigd worden?”

Heeft Egans angst voor de digitale revolutie te maken met het feit dat ze tot de oudere generatie behoort? En mogen we dan een van de motieven in haar roman, ‘How did you get so old’, autobiografisch lezen? Niks daarvan, zegt de schrijfster, „Ik voel me helemaal niet oud, hoewel er wel wat met mijn innerlijke leeftijd is gebeurd sinds ik kinderen heb. En in therapeutisch schrijven geloof ik niet, anders dan je misschien zou willen afleiden uit het eerste hoofdstuk, waarin over Sasha en haar psychotherapeut wordt gezegd dat ze ‘bezig zijn een verhaal over verlossing, over opnieuw beginnen en tweede kansen te schrijven.’ Als ik schrijf doe ik dat bij voorkeur vanuit een perspectief dat zo veel mogelijk verschilt van het mijne. Het gaat in de literatuur om de verrassing, en die krijg je niet als je schrijft over jezelf of over mensen die je goed kent. Toen ik jong was wilde ik altijd antropoloog worden, als schrijver kan ik dat gewoon zíjn.”

Kijk voor een powerpointpresentatie met passende muziek op jenniferegan.com/books

Jennifer Egan: Bezoek van de knokploeg Vert. Ton Heuvelmans. De Arbeiderspers, 334 blz. € 19,95

    • Pieter Steinz