Doortrappen, ook als 't pijn doet

Extra geld van de overheid is er niet, maar toch moeten universiteiten beter worden.

Hoe? De staatssecretaris en de voorman van de universiteiten leggen het uit.

Nederland, Wageningen, 14-03-2002 Universiteit Wageningen Open dag voor middelbare scholieren met conferentie over voedsel"to eat or not to eat" Vakgroep toxicologie. Leerlingen onderzoeken bloedmonsters op alcohol percentage en de gevolgen hiervan op de lichaam Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Zeker, er waren af en toe „stevige gesprekken”, maar een „knokpartij” was het niet. Staatssecretaris Halbe Zijlstra (Onderwijs, VVD) en Sijbolt Noorda, voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), hebben vrijdag hun handtekening gezet onder een akkoord dat het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in Nederland beter moet maken.

Kabinet en universiteiten zijn het erover eens dat het niveau van het onderwijs omhoog moet en dat instellingen zich meer van elkaar moeten onderscheiden.

Wat moet er veranderen in het universitair onderwijs?

Noorda: „We moeten naar een scherpere prestatiecultuur. Wat betreft de docent: alleen je colleges goed voorbereiden en er altijd zijn, is niet genoeg. Je moet het uiterste zien te halen uit elke student die je voor je hebt. En wat betreft de studenten: met studeren is het soms net als in een sportschool. Op een gegeven moment treedt er verzuring op en dan moet je doortrappen, ook als het pijn doet. Onderwijs is geen entertainment, de collegezaal geen bioscoop.”

Universiteiten en opleidingen zijn onderling zeer verschillend. Krijgen die allemaal te maken met dezelfde prestatieafspraken?

Zijlstra: „Nee, met iedere universiteit worden afzonderlijke afspraken gemaakt. Het is de bedoeling dat de universiteiten diverser worden. Dat bereik je niet door iedereen door dezelfde hoepel te laten springen.”

Noorda: „Maatwerk is de sleutel tot succes. De universiteiten mogen zelf een voorstel doen voor hun prestatieafspraken. Dat is belangrijk voor het slagen van deze operatie.”

De universiteiten moeten zich profileren. Niet iedereen moet elke opleiding geven. Maar wat nu als er zeven instellingen zijn die zeggen dat een bepaalde studie bij hen écht het beste is?

Zijlstra: „Ik geloof niet dat in Nederland zeven universiteiten allemaal tot de top van een vakgebied kunnen behoren. Dan is het zeven keer nét niet en dus zit de wereldtop dan ergens anders. Als je tot die wereldtop wilt behoren, moet je je focussen op de wetenschapsgebieden waarin je echt goed bent.”

Extra geld vanuit de overheid komt er voorlopig niet. Er wordt met geld geschoven binnen de begroting voor het hoger onderwijs. Gaat het wel lukken om deze plannen uit te voeren?

Zijlstra: „Ik denk dat we realistische doelen stellen. We gaan nu een eerste stap zetten. Ik geef toe dat dit soort processen soepeler loopt als je ook nog een zak geld kan meenemen, maar daar is het gewoon de tijd niet naar. Dit is een langetermijnproject, dat nog jaren zal lopen. Als we volgende stappen willen zetten, moeten we kijken of we na deze kabinetsperiode, als het economisch hopelijk beter gaat, meer geld kunnen inzetten.”

Noorda: „Het kabinet stelt voor de komende tijd geld ter beschikking om de kwaliteit te verbeteren en de profilering van de universiteiten te versterken. Dat is belangrijk, omdat dit goeddeels de korting ongedaan maakt die ons vanwege de langstudeerdersboete is opgelegd.”

Bij het profileren zullen universiteiten aansluiting proberen te vinden bij de topsectoren die door de overheid zijn aangewezen. Wat betekent dat voor wetenschappers in de andere vakgebieden?

Zijlstra: „Keuzes maken is soms niet leuk voor wie aan de verkeerde kant van de streep staat, maar het is zeker niet zo dat we onderzoekers buiten de topsectoren aan hun lot overlaten. Er gaan geen vakgebieden uit Nederland verdwijnen, dat is niet aan de orde. Maar er staat wel druk op. Daar hebben universiteiten aandacht voor gevraagd.”

Noorda: „De topsectoren worden door iedereen met enthousiasme omarmd. Laten we daar nu vooral voor langere tijd aan vasthouden. Naast deze wetenschapsgebieden kiezen de universiteiten allemaal hun eigen onderzoekszwaartepunten.

„Er is jaarlijks 1,7 miljard euro onderzoeksfinanciering beschikbaar die niet afhankelijk is van de topsectoren. Daarvan kunnen wetenschappers in andere vakgebieden worden bekostigd. Maar het is wel een kwestie van natuurlijke maten. Bijvoorbeeld: voor een groep biobased technology moet je honderd mensen hebben; bij een vakgroep sociale geschiedenis kom je met acht mensen al een heel eind.”

De topsectoren moeten mede worden gefinancierd door het bedrijfsleven, dat het geld via belastingmaatregelen gedeeltelijk terugkrijgt. Gaan bedrijven over de brug komen?

Noorda: „Hier zit ik op het puntje van mijn stoel. De verbetering van het onderwijs hebben we zelf in de hand, maar hier zijn we afhankelijk van derden.

„Door het wegvallen van de aardgasbaten die werden besteed aan wetenschappelijk onderzoek, zullen de komende jaren 3.000 plaatsen voor jonge onderzoekers verdwijnen. Als het niet lukt dit verlies op te vangen, gaan die jonge mensen hun heil buiten Nederland zoeken. Dan sterft de wetenschap op termijn uit.”

Zijlstra: „Er zijn honderden miljoenen fiscaal beschikbaar. Dat biedt kansen voor bedrijven en universiteiten. En ik denk dat ze die pakken. Voor universiteiten is deze afhankelijkheid inderdaad ook een risico, daar loop ik niet voor weg. Maar juist daarom ben ik ervan overtuigd dat ze die kansen zullen pakken.”

    • Bart Funnekotter