De vrije markt werkt als hij niet vrij is

Vrij is alleen vrij wanneer er gecontroleerde regels zijn. Maar zoals met alles moet dat met wijsheid en met mate gebeuren, schrijft Guy Verhofstadt. Derde deel in de serie over de vrije markt.

Bezegelt de huidige crisis het lot van het vrijemarktdenken zoals sommigen bij hoog en bij laag beweren? Betekent dit de doodsteek aan het kapitalisme? Zijn we vandaag getuige van de implosie van het politiek-economisch denken, precies zoals we twintig jaar geleden ook het communistisch gedachtegoed en de planeconomie ten grave hebben gedragen?

Ik kan me vergissen, maar me dunkt van niet. Het lijkt er eerder op dat niet de vrije markt als zodanig, maar de klassieke deugden van de markt (langetermijndenken, risicobeheersing, gezonde concurrentie) in de verdrukking zijn geraakt. Meer nog, het wordt met de dag duidelijker dat zulks niet in eerste instantie te wijten is aan de marktmechanismen zelf, maar aan het falen van de overheid. Want het is de taak van de overheid om er voor te zorgen dat de mechanismen van de markt naar behoren kunnen functioneren.

Om goed te werken heeft een vrije markt regels nodig die van bovenaf worden opgelegd. Zonder duidelijk af te dwingen bepalingen is de markt niet langer een markt maar een jungle, een wildernis verkerend in een staat van oorlog. Dat een markt niet kan functioneren zonder regels is geen originele gedachte. Niemand minder dan de grondlegger van het marktdenken zelf, de Schotse econoom en filosoof Adam Smith, waarschuwde er al in 1776 voor dat een markt zonder regels niet werkt.

Het beste voorbeeld om dit te illustreren is zich trachten voor te stellen hoe een markt zou werken wanneer, bijvoorbeeld, het recht van eigendom niet gold, of als deze regel systematisch met voeten werd getreden. Een kind kan begrijpen, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een vrije markt. In zo’n samenleving zou alleen het recht van de sterkste gelden. Niemand zou nog bereid zijn enig initiatief te nemen of welk danig risico dan ook te lopen, uit angst door de sterksten te worden onteigend of afgeperst. Het is niet toevallig dat de eerste succesvolle vrije markten juist daar ontstonden waar voor het eerst sluitende voorschriften werden vastgesteld, over onder meer het eigendomsrecht en de eerlijke mededinging. In de 17de en 18de eeuw waren het Nederland en Engeland die als eerste de Malthusiaanse kringloop konden doorbreken. Zij waren met andere woorden in staat ondanks een aanhoudende groei van de bevolking economische groei te genereren door technologische vooruitgang. Iets wat tot dan toe onmogelijk was gebleken.

Hoe dan ook, de hamvraag is niet zozeer of een vrije economie dwingende regels behoeft. De cruciale vraag is wie deze regels uitvaardigt en wie de naleving ervan garandeert. Zeker, er bestaan voorbeelden van auto- of zelfregulering, waarbij de betrokken partijen de regels van het spel onderling afspreken. Maar dit zijn uitzonderingen. Veelal beperkt zich dat tot terreinen waar weinig deelnemers zijn of tot activiteiten die nog voldoende overzichtelijk en transparant zijn. Wanneer het echter gaat om zaken die de gehele samenleving aangaan, of die door hun aard uitermate complex zijn, is het de overheid die de regels uitvaardigt, het respect voor die regels afdwingt en overtreders sanctioneert.

Maar zoals Adam Smith het in de 18de eeuw al aangaf, is reguleren een bijzonder moeilijke evenwichtsoefening. Het is een kwestie van doseren. Te veel of te strikte regulering remt het economisch gebeuren af. Te weinig regulering zal een economie doen ontsporen. Regulering kan bovendien verkeerd geïnterpreteerd worden of op gebrekkige wijze gecontroleerd worden, waardoor ze haar doel voorbijschiet. Of erger nog, waardoor ze meer onheil veroorzaakt dan ze bestrijdt.

De huidige crisis is daar in feite een goed voorbeeld van. Alan Greenspan weigerde de ongebreidelde kredietverlening van hypothecaire leningen in de Amerikaanse huizenmarkt aan banden te leggen. Door deze houding creëerde hij een huizenbubbel die uiteindelijk barstte en uitmondde in de financiële crisis van 2008. En omgekeerd wou Angela Merkel vorig jaar kost wat kost de beleggers in overheidsobligaties mede de rekening laten betalen voor het failliet van Griekenland en Portugal. Het gevolg was dat tot op de dag van vandaag niemand nog overheidspapier van de meeste eurolanden aanschaft, althans niet tegen normale, lage interestvoeten.

Kortom, een markt is slechts vrij wanneer er spelregels zijn en wanneer er een waakzame overheid is die deze spelregels controleert. Maar zoals met alles moet dat met wijsheid en met mate gebeuren. Door een overheid die misschien niet te veel regels uitvaardigt, maar die deze wel effectief afdwingt en laat naleven.

Guy Verhofstadt was minister-president van België. Hij is voorzitter van de liberale fractie in het Europees Parlement. Dit is een herschreven versie van hoofdstuk 3 uit De Weg uit de crisis (2009).