Brabantse lijfliedjes

Je zou hem de andere, oudere kant van Brabant kunnen noemen: Gerard van Maasakkers, de 62-jarige singer-songwriter uit Budel. Als je, zoals ik, onlangs de volkse, jongere kant van Brabant in actie zag in de film New Kids Nitro, is er geen groter contrast denkbaar. Maasakkers versus Maaskantje – beide kanten zijn succesvol, ook boven de Moerdijk, maar ze hebben zo goed als niets met elkaar te maken.

Bij de New Kids spatten de vloeken en scheldwoorden van het doek, bij Van Maasakkers hoor je een avond lang geen ‘kut’ of ‘homo’, laat staan ‘kuthomo’. Dat hij zelf homo is, laat hij wel merken, maar alleen met een subtiel grapje in een inleiding of met een toespeling in een tekst.

Gisteravond zag ik voor het eerst Van Maasakkers optreden, niet op zijn Brabantse geboortegrond, maar in De Kleine Komedie in Amsterdam waar genoeg Brabantse Amsterdammers wonen om zo’n zaal behoorlijk vol te krijgen.

Veel autochtone Amsterdammers leken er niet aanwezig, gezien de zachte g die overal in het theater rondwaarde. Toch zouden ze hem best gewaardeerd hebben, omdat ze in Amsterdam van een goed lied houden én omdat Van Maasakkers niet koketteert met zijn Brabantse tongval, zoals de New Kids wel doen. Zijn Brabants is goed verstaanbaar, het maakt een ietwat vernederlandste indruk.

Van Maasakkers, zoon van een tuindersfamilie, treedt al ruim dertig jaar op. Zijn verdiensten voor de Nederlandse lichte muziek werden in 2008 door een vakjury bekroond met de toekenning van de Gouden Harp, een prijs die alleen voor de groten uit dit genre is weggelegd. In die periode begon Van Maasakkers ook in de rest van Nederland een groter publiek te bereiken.

Een flamboyante, charismatische performer is hij niet, hij beweegt zich wat stijfjes en zijn stem is niet krachtig; hij moet het daarom van de hoge kwaliteit van zijn liedjes hebben, die hij voor een groot deel zelf schrijft.

Ook in dit nieuwe programma, Lijflied, zitten weer tal van mooie, persoonlijke songs, gezongen met veel gevoel, maar zonder hinderlijk pathos. Hij zingt regelmatig over vroeger, maar hij vervalt niet in sentimentele kitsch. Als hij ronddwaalt in zijn lege ouderlijk huis, is hij geen nostalgicus, eerder iemand die voelbaar maakt wat het betekent om verder te leven zonder het vertrouwde thuis.

Veel van zijn liedjes maken een autobiografische indruk, maar hij heeft ze niet al te particulier gemaakt, zodat ze een algemene geldigheid krijgen. Dat lukt hem vooral goed in Zomaar onverwacht, een lied over mensen die na een lang huwelijk scheiden, en in – voor mij het hoogtepunt – Kleine Gerard (tekst Peer Wittenbols) over het jongetje dat hij was.

Ook bracht hij in De Kleine Komedie een ouder liedje, Hedde efkes, Lieven Heer, dat minstens zoveel zegt over het geseculariseerde Brabant als alle lege kerken in die provincie bij elkaar.

Het eerste couplet: Hedde efkes, Lieven Heer/ ik kan ’t oe mer beter zelf zeggen/ ’t kumt eigenlijk hier op neer/ ’t is lastig um uit te leggen/ ge waart haost familie van mijn/ en die laotte nie zo hendig vallen/ mer ’t liep al ’nen tijd op ’n eind/ ik hoef nie te gaon, want ik was al weg/ onvermijdelijk en geleidelijk/ dus ’t wordt tijd um ’t hardop te zeggen: „Lieven Heer, ik vuul ’t nie meer.”

Ik ben bijna verplicht af te sluiten met het oordeel van mijn vrouw (zij komt uit Brabant, ik niet): „Gelukkig zingt hij over Brabant zonder het te verheerlijken.”

    • Frits Abrahams