Waarom zijn we niet meer tolerant? Onderwijs de jeugd over vrijheid

Het blijft een lastige vraag: strekken tolerantie en vrijheid van meningsuiting zich ook uit tot degenen die op de vernietiging ervan uit zijn – tot mensen die geen geheim maken van hun ambitie om anderen uit te sluiten van deze vrijheid en van die tolerantie? Simon Schama zoekt naar een antwoord.

De terugkeer van intolerantie en verouderde gebruiken was voor mij in de loop van de jaren een verrassing en een teleurstelling. Aan het eind van de jaren vijftig kreeg ik als schooljongen interesse voor geschiedenis en begon ik voor het eerst Pieter Geijl en Johan Huizinga te lezen. Dit waren uiteraard twee heel verschillende benaderingen. Overal hing de schaduw van de Holocaust, maar onze generatie – zeker mijn klasgenoten en ik – dacht dat de rijken van de intolerantie hun kruit hadden verschoten met de vernietiging van het fascisme.

Hoe zot het ook lijkt, we waren allemaal Unesco-idealistjes die naar een steeds stralender uitzicht van culturele verscheidenheid en vermenging keken. We luisterden naar calypso, naar samba en in mijn geval zelfs naar Javaanse gamelan. We wisten als liefhebbers van rock-’n-roll dat deze muziek precies op het punt was uitgevonden waar blanke jongens de zwarte muziek leerden kennen. Howlin’ Wolf, Muddy Waters en Chuck Berry vergezelden ons. We namen blij – heel blij – aan dat in onze tijd de lang uitgestelde idealen van de achttiende-eeuwse Verlichting in vervulling zouden gaan. De voorvechters ervan, propagandisten zelfs, waren onze leermeesters. Wat had Thomas Jefferson ook weer geschreven? „Miljoenen onschuldige mannen, vrouwen en kinderen zijn sinds de komst van het christendom verbrand, gemarteld en gevangengezet. Wat is het effect geweest van deze dwingelandij? Dat de ene helft van de wereld uit dwazen en de andere helft uit hypocrieten bestaat.” Zijn gids Voltaire formuleerde het nog bondiger, toen hij de oorlog verklaarde aan de vooroordelen die waren gebaseerd op aanspraken in openbaringen, wonderen, door God gedicteerde doctrines en wetten. Écrasez l’infâme. Dit vonden we natuurlijk prachtig!

De aanslagen op 11 september 2001 vormden de meest traumatische demonstratie van het buitensporige optimisme van de deïstische philosophes, niet alleen van de koppige volharding van een antirationalistische publieke mentaliteit – in het christelijke Westen én in het islamitische Oosten – maar ook van hun triomf naast en in het steeds groter wordende domein van de informatietechnologie. Onze argeloze, achttiende-eeuwse overtuiging dat mythen, fantasieën en dwalingen – „de Holocaust heeft niet werkelijk plaatsgevonden; de wegvoering van de Laatste Dagen is nabij” – door wetenschap en technologie onvermijdelijk zouden verdwijnen, is verdrongen door het stuitende besef dat internet giftige vervalsingen en verzinsels kan verspreiden en deze zelfs echt kan laten lijken. Dit is de heksendrank van Wikipediawaarheid.

Niet alleen in de wereld van de fundamentalistische islam moet de wetenschap, als leidraad voor het leven, de terugtocht blazen. Dit gebeurt ook in de hedendaagse Amerikaanse politiek. Hier helpt bewijs voor bijvoorbeeld klimaatverandering niet tegen holle vooroordelen.

We zijn op het punt gekomen, onvoorstelbaar voor ons historici, dat empirisch rationalisme in bepaalde culturen geldt als een valse vorm van begrip, dat bestaat naast de onzegbare zuiverheid van religieuze overtuiging. Grondlegger Said Qutb van het militante jihadisme – zonder wiens onderricht Al-Qaeda en 11 september niet hadden bestaan – stelde het zo: rationeel begrip is een kolonialistische samenzwering om de geesten van gelovigen te vergiftigen. Volgens het waanbeeld van fanatici is wat in de ogen van de jahiliyyah (de pre-islamitische samenleving) als verstandig of wijs geldt, in feite onwetendheid van de ontegensprekelijke suprematie van de goddelijke leiding.

Michel de Montaigne, John Locke of Voltaire zouden het zich niet kunnen voorstellen, maar bepaalde dingen moeten nadrukkelijk opnieuw worden verdedigd – de voorwaardelijke aard van kennis, de aanvechtbaarheid van een mening.

Tijdens de herdenkingen van de tiende verjaardag van 11 september werd veel gepreekt over ‘eensgezindheid’, zonder de vraag te stellen rond wat de Amerikanen zich zouden moeten verenigen. Rond de vlag? Dat is maar een stukje stof, dat in het geval van de Verenigde Staten alleen van belang is als het een aantal verbindende beginselen vertegenwoordigt – die van democratische vrijheid en pluralisme. Als er werkelijk een filosofie zou bestaan die ons zou samenbinden en, het allerbelangrijkste, ons zou onderscheiden van de mensen die de massamoorden op 11 september pleegden, zou het allerminst een filosofie van eenheid zijn, maar van verscheidenheid.

Een naar effect van 11 september is de grotere intolerantie in onze eigen politiek. Hoe we verder ook over hem mogen denken, het zal altijd vóór George W. Bush pleiten dat hij een week na 11 september het Islamic Center in Washington bezocht en zich luid en duidelijk uitsprak tegen stigmatisering van moslims wegens de misdaden van een paar terroristen. Toch nam dit niet weg dat sinds lang bestaande Amerikaans-Arabische gemeenschappen – ik ken de Syrisch-Libanese gemeenschap van Dearborn, Michigan – ineens het gevoel kregen paria’s te zijn. Dit is met het verstrijken van de tijd erger in plaats van beter geworden. Rechtse politici maken enorm veel drukte over een samenzwering om de sharia op te leggen in plaats van de Amerikaanse wet.

Het vrije en onbelemmerde wedijveren van meningen, religieuze overtuigingen en redeneringen is ongetwijfeld de bron en het handvest van het tolerante stadsleven. Uit deze soevereine vrijheid vloeien alle andere vrijheden – vooral het stemrecht – voort. Het is het volstrekte tegendeel van het soort theocratisch afgedwongen conformisme dat wordt beoefend door bijvoorbeeld de Talibaan, of de met geweld opgelegde moraal in de Iraanse islamitische republiek.

Als dit debat doorzet, zullen de problemen aan de orde komen van de grenzen van tolerantie en van die van vrije meningsuiting. Ook dit heeft een precedent in de westerse geschiedenis. Het was uitdrukkelijk niet zo dat John Milton, John Locke of de bewaarders van de gewetensvrijheid in de Nederlandse Republiek de officiële tolerantie uitstrekten tot de katholieken, zolang hun hoogste leiders – de paus en intolerante monarchen als Lodewijk XIV – lieten blijken dat heel het doel van hun buitenlandse en militaire beleid was om alle andere kerken dan die van hen uit te roeien. Volgens Milton en Locke vormden katholieken, hoe loyaal ze zich ook voordeden, een bedreiging voor de vrijheid. Van deze vrijheid zouden ze kunnen profiteren om de ondergang ervan te beramen.

Van alle onopgeloste dilemma’s van de mensen die de grondslag legden voor de traditie van liberale tolerantie blijft het de lastigste vraag: strekken tolerantie en vrijheid van meningsuiting zich ook uit tot degenen die op de vernietiging ervan uit zijn – tot nazi’s, neo- of anderszins, tot religieuze fundamentalisten van welke kleur ook, die geen geheim maken van hun ambitie om anderen uit te sluiten van deze vrijheid en die tolerantie? John Stuart Mill was in het midden van de negentiende eeuw zeker genoeg van zijn zaak om zonder voorbehoud te schrijven over de ondeelbaarheid van tolerantie, ongeacht hoe onbelangrijk of agressief de weerspannige minderheid was. „Als heel de mensheid op één iemand na één mening had en alleen hij er anders over dacht, zou het even onjuist zijn die ene persoon te laten zwijgen dan dat die ene persoon, als hij de macht had, de hele mensheid het zwijgen oplegde.”

De stamvaders van tolerantie en gewetensvrijheid dachten hier anders over. Voltaire wilde geen vrije meningsuiting toestaan bij mensen die van plan waren deze vrijheid te ontzeggen aan alle anderen. Gaat deze voorzichtige redenering ook tegenwoordig op?

Het antwoord – niet dat er een eenvoudig antwoord bestaat – kan niet louter theoretisch zijn. Je moet de geschiedenis, de spelbreker van de wijsbegeerte, betrekken bij de discussie. Het waren allemaal onwelkome verrassingen voor erfgenamen van de Verlichting.

Eerst was er de irrationele, mystieke aantrekkingskracht die in het romantische nationalisme zat: tribale loyaliteit, die geworteld was in bodem, gewoontes en taal. Deze kenmerken gingen zo diep dat er hogere muren door ontstonden dan ooit konden worden overstegen door de ideeën over universele broederschap en wereldwijd respect. Ratio en de menselijke broederschap werden afgedaan als oppervlakkig, mechanisch en vooral – ook door hen die het betreurden – als onnatuurlijk. De natuur was tribaal. Ja, de natuur was met een evolutionaire glans dierlijk en zonder omwegen intolerant. Al het andere was het sentimentele waanbeeld van de elite.

De tweede tegenslag was de onverwachte terugkeer van mystieke religie, het idee dat een openbaring bepaald geen kinderlijk bijgeloof van een onwetende was, maar een in extase onthulde, diepe waarheid. Zie de openbaring van de engel Moroni aan Joseph Smith, de eerste Mormoon, een geloof dat twee van de kandidaten voor de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen aanhangen. Dit wil ook zeggen dat de oude en zeer bloedige oorlogen van mensen en religies die stellen dat hun openbaring de enige echte is en alle andere vals, ketters en vrijwel zeker duivels zijn, niet voorbijgaan. Locke en de filosofen hoopten en verwachtten dat het rationele onderzoek hieraan een eind zou maken.

In de derde plaats slaagden materialistische filosofieën – zowel de kapitalistische als de socialistische – er niet in om deze gevaarlijke openbaringen overbodig te maken. Al-Qaeda en de Moslimbroederschap waren onmogelijk geweest zonder de spectaculaire instorting van de Sovjet-Unie. Ze hebben zelfs redenen te beweren dat zij hiervan, in Afghanistan, zo’n beetje de belangrijkste oorzaak waren. Meer in het algemeen maakte het feit dat pseudorevolutionaire staten, bijvoorbeeld Cuba en hun eigen nationalistische hybriden (Nasser), er niet in slaagden de verwachtingen waar te maken van de armen tot wie hun boodschappen waren gericht, de weg vrij voor het opnieuw zaaien van religieus geïnspireerde, op heil gerichte politiek. Ondanks het nadrukkelijke triomfalisme van de voorvechters van het Amerikaanse kapitalisme geldt ook dat het kapitalisme er niet in slaagde de enorme ongelijkheid te verminderen tussen ontwikkelde en onontwikkelde landen, tussen de elite en de armen – die naar iedere maatstaf gemeten, met uitzondering van de BRIC-landen, elke tien jaar alleen maar armer worden.

Het allerbelangrijkste, maar misschien ook het moeilijkst aan te pakken, is de demonisering van liberale tolerantie als een koloniale of neokoloniale ideologie. De voorvechters ervan vonden dat het een geloofsartikel was in de universele, egalistische broederschap van de mensheid dat niet één mens, niet één religie, niet één cultuur zich superieur kon achten aan de andere, zozeer de wijsheid in pacht kon hebben dat men de onwetenden de oorlog kon verklaren. Toch is dit precies de betekenis van Qutbs en Osama bin Ladens oorlog tegen het modernisme – een soort apocalyptische toewijding aan de volledige vernietiging van het liberale modernisme. Men vindt het zwak en kwetsbaar, juist vanwege de afhankelijkheid van wat zij oppervlakkige en goddeloze vormen van zelfbevestiging vinden.

We hebben geen andere keuze dan ons te scharen aan de zijde van Milton en Locke. Anders vraag je om zelfmoord, op de wijze van de Weimarrepubliek. Zulke verschijnselen moet niet het zwijgen worden opgelegd en ze moeten al helemaal niet achter slot en grendel belanden. Ze moeten alleen worden uitgesloten van enige beslissende rol bij het scheppen of bedrijven van democratie, zolang ze tegen een formele, onomkeerbare bestendiging daarvan zijn.

Hier ligt precies de scheiding tussen de hardere en zachtere versies van islamistische partijen in Egypte. De Moslimbroederschap zegt dat men zich zal neerleggen bij een toekomstige verkiezingsnederlaag. De salafisten weigeren dit. De politieke ontwikkelingen in de regio zullen leiden tot toenemende polarisatie, niet alleen tussen islamisten en seculieren, maar ook tussen het Turks-Tunesische model van islamisme en het Iraans-salafistische model.

Wat doen wij, tien jaar na 11 september, terwijl we nog steeds het mikpunt zijn van met zelfmoord en moord verbonden intolerantie? We verzinnen nog meer lastige veiligheidsprocedures in onze luchthavens, we proberen onze spionage te verbeteren en we doen een beetje ons best mensen in het leger en de inlichtingendiensten te hebben die de talen spreken van degenen die ons willen vermoorden. We doen de oorlogsdingen. De oorlogsdingen van wapens en zelfverdediging. We zouden wel gek zijn als we dit niet deden.

We doen alleen niet de dingen van Dirck Volkertsz. Coornhert, Milton, Locke, Gerard Noodt, Voltaire en Jefferson. We geven de bevolking, en vooral onze kinderen, geen indruk van hoe sterk de gemeenschap van vrijheid waar ze bij horen in feite is. Dit is allemaal te moeilijk. Het is allemaal te veel huiswerk. Het is allemaal te lang geleden. Coornhert past niet in een sms’je. Locke past niet in een tweet. Wel vermelden we hen als gezellig, gevoelig voedsel voor de geest in onze lessen over 11 september. We veroorloven ons anderen de les te lezen over democratie en vrijheid, zonder te weten waarover we het hebben, afgezien van de meest holle gemeenplaatsen.

Jefferson was een deïst. Hij maakte er geen geheim van dat hij weigerde te geloven dat Jezus de zoon van God was. Hij las de Koran. Hij nodigde moslims uit in het Witte Huis, om het einde van de Ramadan te vieren. Volgens mij zou hij niet meer problemen hebben gehad met een islamitisch centrum in hartje New York dan de Joodse burgemeester van deze stad.

Hij zou hebben gewild dat we al onze kinderen de woorden zouden laten leren uit het Statute of Religious Freedom – niet ‘God is groot’, maar: „De waarheid is groot en zal overwinnen als je haar met rust laat. Zij bestrijdt dwaling afdoende en heeft niets te vrezen van het conflict, tenzij ze door menselijke tussenkomst ontdaan wordt van haar natuurlijke wapens. Dwalingen zijn niet meer gevaarlijk wanneer het is toegestaan ze vrijelijk tegen te spreken.”

Laten we Al-Qaeda dáármee confronteren.

Dit is een bekorte versie van Waar is de tolerantie gebleven?, de veertigste Huizinga-lezing, die op vrijdag 9 december 2011 werd uitgesproken door de Britse historicus Simon Schama, die veel over Nederland heeft gepubliceerd. De Huizinga-lezing wordt jaarlijks in samenwerking georganiseerd door de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en NRC Handelsblad.

    • Simon Schama