Speeldoosjes

Op mijn wekelijkse stadstramreis bereik ik altijd weer boeiende trajecten, deze keer met de lijnen drie en zeventien naar het Centraal Station. Wat een genot dat die schutting voor de hoofdingang is verdwenen. Nog niet helemaal, er staat nog een stukje versperring, maar in ieder geval is de oude waardigheid van het entree hersteld. Je weet weer hoe het in de premetrotijd is geweest. Nu de rest nog.

Het was lekker weer, weinig wind, de zon scheen. Op mijn gemak liep ik naar het beginpunt van lijn negen voor het volgende traject. Daar zaten in de windstille, zonnige hoek twee muzikanten, heren van middelbare leeftijd, warm ingepakt en met een mutsje op. Klarinet en accordeon. Ze speelden iets uit Zuid-Europese streken, niet Servisch of Hongaars, ik kon het niet thuisbrengen, maar het was goddelijk. De tram reed voor, maar ik geloofde het wel; ik bleef luisteren. Het verleden ging open. Ik was weer in de trein naar onbekende verten gestapt, Boedapest, Boekarest, desnoods Odessa. Zou ik nog een lijn negen voorbij laten gaan? Misschien. Ik droeg ik alvast mijn honorarium af. Twee euro. Te weinig eigenlijk voor zo’n muzikaal genot, voor de zekerheid maakte ik er een lichte buiging bij, die ze minzaam in ontvangst namen.

Toen gebeurde het. Plotseling verschenen er twee mannen, in citroengele fluorescerende hesjes en met officiële petten op. Ze liepen op de muzikanten af, het spel hield op en de ambtenaren maakten in woord en gebaar duidelijk dat hier een overtreding werd begaan. Gelaten verdwenen de heren in de menigte. Ik beken, ik werd boos, ik ging naar de ordebewaarders toe en vroeg of ze de muziek niet mooi vonden. Jawel, zei de woordvoerder, maar het mag niet. Waarom niet? Omdat het personeel van de spoorwegen daar boven in de kantoren er last van heeft. Maar het is zaterdag. Dat kan wel zijn, maar het mag niet. Je mag in Amsterdam niet langer dan een half uur op dezelfde plaats muziek maken. Waar komen de heren vandaan? Uit Roemenië.

Einde conversatie. Ik dacht even aan Blinde Bennie, de muzikant die jaren en jaren met zijn buikorgeltje in de Mozes en Aäronstraat naast het Paleis heeft gestaan. Tot vorig jaar de halfuur-verordening van kracht werd. Politie. Bennie moest weg, kreeg 282 euro boete maar ook een goede raad. Je gaat eerste een half uurtje muziek maken, zei een agent. Dan ga je een uurtje weg. Dan kom je terug, weer voor een half uurtje, en zo kan je toch nog een aardig centje verdienen. Ik weet niet of hij die raad heeft opgevolgd. De Mozes en Aäron is de koudste straat van Amsterdam. Zomer en winter, dag en nacht waait er een gure passaat. Als ik Bennie was, had ik een behaaglijker straat opgezocht.

Alle straatmuziek die goed wordt gespeeld, op welk instrument dan ook, heeft één essentiële eigenschap. Er wordt een vleugje melancholie mee gewekt, een vage voorstelling van ‘vroeger’, vergeefs verlangen naar verdwenen geluk, onbeschrijfelijke onschuld, iets dat lang geleden voorgoed verloren is gegaan.

Het is niet meer dan een aanvechting die op z’n hoogst een paar seconden duurt en dat is maar goed ook. En toch verzoent zo’n vluchtige ervaring je weer met het aardse bestaan. Zo verging het me bij het luisteren naar die Roemeense muziek en ik werd er soms ook door overvallen als ik het buikorgeltje van Bennie hoorde.

Er is één soort muziek die een vergelijkbaar effect kan hebben. Het is niet gegarandeerd maar het valt te proberen. Ik bedoel de muziek die uit speeldoosjes komt. Een speeldoosje is een kleine muziekmachine die je kunt opwinden of met handkracht moet worden aangedreven. Er wordt een rol met pinnetjes aan het draaien gebracht. Zo’n pinnetje tilt heel even een metalen toets op, laat die weer los, en door de trilling bij de terugval ontstaat er een toon. Mijn moeder had een zwart doosje dat ze met een sleuteltje opwond, op tafel zette en het wonder voltrok zich: daar tingelde in klare tonen het Für Elise. Kleine Montag was ontroerd, altijd weer. Dit doosje is ergens verloren gegaan.

Op een ontdekkingsreis in Nederland kwam ik een keer in Grave beneden de sluis en ontdekte daar een winkel met opwindspeeldoosjes. Eén gekocht. Ik had de hele voorraad moeten kopen. Maar ik weet nog een winkel die erin gespecialiseerd is. In Parijs. Je loopt van de Boulevard Saint Michel rechtsaf de Saint Germain in, komt dan aan een steeg met overdekte ingang. Dat is de Rue de l’Ancienne Comédie. Daar heb je het beroemde restaurant Le Procope, waar destijds de Encyclopédisten, Diderot, d’Alembert, Voltaire elkaar zagen. Een soort Scheltema eigenlijk. En ernaast is een soort snuisterijenwinkel met een keur aan speeldoosjes. Ik heb daar La vie en rose en I love Paris gekocht. En Für Elise. Wat een rijkdom! En later heb ik van mijn Russische schoonzuster de Internationale gekregen. Het lied van het wereldproletariaat. Ook een vorm van melancholie.