Populisme kan ook de rechtsstaat bedreigen

Vorige week eindigde ik dit stukje met de strenge conclusie dat de rechtsstaat in het geding is. Dat is onder juristen zo ongeveer het ergste wat je kan zeggen. En ik wist toen niks beters. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ‘de rechtsstaat in het geding’ voor velen vooral ernstig klinkt. Wat betekent het? Is dat

Vorige week eindigde ik dit stukje met de strenge conclusie dat de rechtsstaat in het geding is. Dat is onder juristen zo ongeveer het ergste wat je kan zeggen. En ik wist toen niks beters. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ‘de rechtsstaat in het geding’ voor velen vooral ernstig klinkt. Wat betekent het? Is dat hetzelfde als een schaatser die klaagt over slecht ijs?

Is de eurocrisis niet erger, of de beperking van het persoonsgebonden budget, de ganzen rond Schiphol, de cultuursubsidies? Er is dezer dagen veel keus om je over op te winden. Zorgen over de rechtsstaat? Graag achter aansluiten, a.u.b.

De week ervoor schreef ik hier over de PVV, voor wie de rechtsstaat ‘maar lastig’ is. Die partij hanteert een goed-fout schema waarin andersdenkenden consequent worden afgeschilderd als verraders aan de islam. Wie een kritische lezing aankondigt zal „bij de enkels worden afgezaagd”. Een pluriforme samenleving, waarin gelijkheid en vrijheid kenmerkend zijn, ligt bij de PVV onder vuur. De ander is gek, dan wel „aanhanger van Pol Pot”, aldus PVV’ er Beertema deze week tegen GroenLinks. Denk ook aan Wilders’ proces – alleen vrijsprekende rechters waren goede rechters.

Niet alleen mag je niet aan de rechtsstaat morrelen, je kùnt er niet eens aan morrelen. Althans, zolang we een vrij land zijn waarin het recht de hoofdrol speelt. De rechtsstaat is essentiële infrastructuur, het normatieve kader van de democratie. Wie daar aan komt, doet iets onbestaanbaars. Toevallig schreef Dorien Pessers, hoogleraar rechtsfilosofie, vorige maand De rechtsstaat voor beginners, bij het jubileum van uitgeverij Balans. Een hapklaar boekje van 70 bladzijden, 6,95 euro.

Alles staat erin. Een rechtsstaat is een samenleving waarin de politiek aan banden is gelegd door het recht. Het belangrijkste instituut zijn de grondrechten, doceert Pessers. Alle burgers in een rechtsstaat hebben per definitie dezelfde basisrechten, die niemand ze kan afpakken. Niemand is er onderworpen aan de ander en iedereen is gelijk en kan zich ontplooien. Aan die rechten kan de politiek niet raken. In een democratie is dat uitgewerkt in het recht op geloofs- en gewetensvrijheid en in de vrijheden van vereniging en vergadering, meningsuiting, drukpers, eigendom en contract.

Eenieder heeft ook een gelijk recht om in elk openbaar ambt te worden benoemd, bijvoorbeeld bij de Raad van State. Eenieder is ook onschuldig tot zijn schuld is bewezen. Eenieder heeft toegang tot de onafhankelijke rechter. Er is vrij kiesrecht. De scheiding van uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht betekent dat geen van de drie per definitie het laatste woord heeft. Het is een balansmodel. In de rechtsstaat is de mens geen onderdaan, maar burger – een ambt met verplichtingen, zoals rekening houden met de gemeenschap. Pessers zegt dat de burger privé mag zeggen wat hij denkt. Maar „in de publieke en politieke sfeer mag hij pas wat zeggen indien hij nadenkt”. Dat is het beginsel van zelfbinding, wat feitelijk weinigen gebruiken.

Alle democratisch genomen besluiten moeten deze grondrechten respecteren. Ze beschermen de burger tegen willekeur en tegen tirannen en dictators. Zonder grondrechten leggen minderheden zich immers niet neer bij de wil van de meerderheid. Er is wederkerigheid, een sociaal contract en basisvertrouwen.

Grondrechten zijn het ethisch ijkpunt en de referentiewaarde van de rechtsstaat. Ik parafraseer nog altijd Pessers. Het recht als sociale techniek, als vredestichtend instrument, schrijft evenwicht, proportionaliteit en goede trouw voor. Basiseigenschappen van de mens als emotie, angst, wrok en woede worden zo getemperd. Als de politiek zich niet bindt aan rechtsbeginselen, kan de wil van de meerderheid uitlopen op nieuwe vormen van onderdrukking.

En zo komen we weer uit bij de PVV. Populisme kan een bedreiging zijn. Namelijk „zodra de woorden tot populistische wapens worden die geen ander doel hebben dan de ander te dehumaniseren en tot zwijgen te brengen”. De democratie kan best wel wat retorisch geweld verdragen maar de rechtsstaat niet, meent zij. De rechtsstaat „bezweert de angsten voor de onbekende ander en beteugelt de agressie die uit die angsten voortkomt”. Wie bijvoorbeeld de rechterlijke macht aanvalt, bepleit rechters minder onafhankelijk te maken of hun beoordelingsvrijheid te beperken, verzwakt de rechtsstaat en daarmee ook de democratie.

Natuurlijk kan een democratie alles afschaffen, ook de rechtsstaat, maar dan is de beer los. Kwade trouw, waanvoorstellingen en almachtsfantasieën „vinden dan geen normering en kanalisering meer”. Dan zitten we pas echt in de problemen. Daarom is ‘de rechtsstaat’ de enige norm die er echt toe doet.