Klok bij de kapper zegt nog niets over armoede

Robbert van Lanschot beschrijft mooie ontwikkelingen in zijn artikel over ontwikkelingssamenwerking (Opinie & Debat, 3 december): groeiende bedrijvigheid in Afrikaanse landen, mobiel bankieren, economische groei. Maar een groei van het vliegverkeer tussen Burundi en Ghana en internationale klokken bij de dameskapper in Bujumbura kunnen toch niet tot de conclusie leiden dat voor landen als Burundi ontwikkelingshulp passé is.

Burundi is een land met 10 miljoen inwoners. Tweederde leeft onder de nationale armoedegrens. De levensverwachting is 49 jaar. Eén op de honderd moeders sterft in het kraambed en er is één arts per 33.000 inwoners. De overheid kan met een jaarbudget van een half miljard dollar ongeveer 37 euro uitgeven per inwoner, tegenover de 15 duizend euro die Nederland jaarlijks per inwoner uitgeeft.

Hulp alleen kan deze armoede niet terugdringen. Daar is meer voor nodig. Wel kan hulp het verschil maken in de levens van individuen. Kijk alleen maar naar de cijfers van het bereik van ons werk in een jaar: 12 miljoen mensen die een beter inkomen konden verdienen, 17 miljoen kinderen en volwassenen die onderwijs konden volgen, 8 miljoen mensen die een kleine lening kregen. Maar ook structurele resultaten zoals eerlijke handelsregels en het stoppen van dumping van voedseloverschotten.

De bedrijvigheid die van Lanschot aantrof in Burundi is bemoedigend, maar aan de voorwaarden voor een beter leven voor de miljoenen Afrikanen die nog niet in de rijkdom meedelen, is nog lang niet voldaan.

Farah Karimi

Algemeen directeur Oxfam Novib