Inloopspreekuur

Het artikel ‘Doktersassistent als doorbitch’ (Wetenschapsbijlage, 3 & 4 december) slaat de plank volledig mis. De feiten: in 1985 had Nederland 14 miljoen inwoners en die kwamen zo’n 2,5 keer per jaar bij hun huisarts. Zo’n 35 miljoen contacten dus. Tegenwoordig komen wij gemiddeld zo’n 6 keer per jaar bij onze huisarts. Met ruim 16 miljoen inwoners dus 100 miljoen contacten per jaar. De drempel is laag en er zijn 3 keer zoveel contacten als 25 jaar geleden.

Het inloopspreekuur is inderdaad laagdrempelig, maar heeft ook nadelen: het is alleen geschikt voor korte medische vragen en het is moeilijk te plannen. De ene dag 6 mensen, de volgende dag 21. De wachttijd loopt navenant op. Je meld je om 8 uur en bent na 9 aan de beurt. De patiënt met moeheid en/of angst heeft meer tijd en aandacht nodig dan het inloopspreekuur toelaat. En dát regelt nu juist de doktersassistente.

De goed opgeleide doktersassistente vraagt altijd naar de reden van komst. Niet om mensen af te poeieren! Juist om de hulpvraag van de patiënt recht te doen. Hiermee redt zij levens en voorkomt zij (over)volle wachtkamers. Het komt voor dat iemand op dinsdag belt voor een afspraak op vrijdag, terwijl hij of zij een spoedeisend probleem heeft. Dit gebeurt ook bij mensen met pijn op de borst! Dit is een alarmsymptoom. De doktersassistente grijpt in en zorgt voor een spoedconsult of spoedvisite.

Daarnaast plant zij de spreekuren. Zij zorgt voor kortere en langere afspraken. De wachtkamer is leeg en straalt rust uit.

J.W. Lely, huisarts

Leiden