In middeleeuws Holland was de kraanvogel inheems

Stromend landschap - Vloeiweidenstelsels in Nederland G.J. Baaijens e.a.: Illustraties: P.L. Dauvellier. KNNV Uitgeverij, 224 p., € 29,95

Veel beken, die zo ongerept en natuurlijk door het landschap lijken te kronkelen, zijn in werkelijkheid ooit door mensenhanden gegraven. Dat is de verrassende conclusie van Stromend Landschap. In dit fraai verzorgde boek laten vier landschapsexperts zien hoe Nederlandse boeren eeuwenlang in de wintermaanden beekwater over hun graslanden lieten stromen om de opbrengst te verhogen. Bevloeiing hield de weidegronden vorstvrij, waardoor het groeiseizoen flink werd verlengd, en bovendien werd het land op natuurlijke wijze met beekslib en humus bemest. In bijna driekwart van ons land hebben omvangrijke, ingenieus ontworpen stelsels van vloeiweiden bestaan. Wie er oog voor heeft, kan die geschiedenis nog steeds op veel plekken in het landschap lezen.

Historische beekstelsels waren niet gericht op afvoer, maar vooral op verdeling van het water over een zo groot mogelijk oppervlak. Pas eind negentiende eeuw bracht de komst van de kunstmest een ommekeer. Voortaan moest het water juist zo snel mogelijk van het land af in plaats van erop, anders zou de kostbare kunstmest wegspoelen.

Voor die tijd hadden vloeiweiden een belangrijke functie. Door het land in de winter onder water te zetten, werd de graszode ónder het ijs tegen vorst beschermd. Grondwater heeft een tamelijk constante temperatuur van 10 tot 12 graden Celsius. In de vloeiweiden kwam de grasgroei in het voorjaar 2 maanden eerder op gang en in het najaar kon men nog twee maanden langer hooien, soms tot in oktober. Som

Kalk, beekslib en humus in het water hielden het land vruchtbaar, ijzerhoudend kwelwater onderdrukte de mosgroei in het gras. Door bevloeiing had men minder last van mollen en schadelijke insecten zoals ritnaalden en engerlingen. En door de graslanden wisselend te bevloeien kon de boer zijn maaiwerkzaamheden beter spreiden – het was tenslotte allemaal handwerk. Niet in de laatste plaats trokken de vloeiweiden veel watervogels aan en hun mest was een extra bron van fosfaat. Volgens de auteurs waren kraanvogels en korhoenders in de Middeleeuwen in West-Nederland inheems.

Hoe kun je zien of een beek natuurlijk is of niet? De schrijvers geven daar allerlei tips voor. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat veel Twentse en Sallandse beken zich stroomafwaarts splitsen, waarna de takken soms kilometers verderop weer samenvloeien. Een natuurlijke beek splitst zich nooit stroomafwaarts. Kenmerkend voor een natuurlijk kronkelende beek is bovendien dat de buitenbochten uitschuren, terwijl de binnenbochten verzanden. In veel Nederlandse beken is het net andersom. Zij stromen vaak niet door de laagste delen van het landschap, maar evenwijdig aan de flank van een stuwwal of dekzandrug, waarbij het water niet het laagste punt zoekt, maar een zo lang mogelijke weg aflegt. Veel beken zijn van bron naar bron gegraven om genoeg water te verzamelen om te kunnen bevloeien. Een Drentse beek die hoger ligt dan de aangrenzende heidevelden, kan nooit natuurlijk zijn. Op de website www.stromendlandschap.nl staan fotoseries, figurenen en gebiedsrapporten.

In het natuurgebied Plateaux van Natuurmonumenten, onder Valkenswaard, zijn de cultuurhistorische vloeiweiden in ere hersteld. En op landgoed het Lankheet bij Haaksbergen zijn nieuwe vloeivelden aangelegd als rietfilters om het beekwater te zuiveren. Zo draagt de middeleeuwse waterkennis nu bij aan innovatieve waterzuivering. Marion de Boo

    • Marion de Boo