Ik is een journalist: persoonlijke noten bij het nieuws zijn riskant

Hoeveel mens gaat er in een journalist? Van kranten en dode bomen kennen we de verhouding (althans, die is uit te rekenen). Maar hoeveel promille menselijkheid moet een journalist in zijn pen hebben? Wanneer en waarom kan hij of zij iets (liefst niet alles) van zichzelf laten zien? Schrijven met een eigen stem en met

Hoeveel mens gaat er in een journalist? Van kranten en dode bomen kennen we de verhouding (althans, die is uit te rekenen). Maar hoeveel promille menselijkheid moet een journalist in zijn pen hebben? Wanneer en waarom kan hij of zij iets (liefst niet alles) van zichzelf laten zien?

Schrijven met een eigen stem en met gezag is niet hetzelfde als partij kiezen

De laatste tijd had de krant daar een aantal voorbeelden van.

Sheila Kamerman nam het op voor minderjarige asielzoekers (Er zijn wel 2.000 Yosseffen, 30 november), Ellen de Bruin sprak zich uit over de frauderende hoogleraar Diederik Stapel (Als Diederik binnenkwam, dan keek iedereen naar hem, 1 november) en, alweer langer terug, Bart Funnekotter haalde herinneringen op aan zijn correspondentie met een van de ‘West Memphis Three’, de drie wegens moord veroordeelde Amerikaanse tieners (Al die tijd gesteund door heavy metal fans, ook in Nederland, 22 augustus).

In alle voorbeelden putten de redacteuren uit hun eigen ervaringen, en gaven ze een persoonlijke aanvulling op het nieuws.

Is dat nuttig? Ja, als de persoonlijke noot de lezer nieuwe inzichten geeft – in het onderwerp, wel te verstaan, niet in de psychologie van de journalist (wat kan de lezer die ten slotte schelen). Tegelijkertijd is het oppassen, want de scheiding van feit en commentaar moet een pijler van de krant blijven. Lezers klagen al dat er zo veel meningen in de krant staan, niet alleen op Opinie maar ook in andere stukken.

Voor de goeie orde: een eigen, persoonlijke ‘stem’ hebben, is voor een journalist een aanbeveling – en nog iets anders dan het geven van een mening of het uitventen van je persoonlijkheid. Een journalist die jaren over een onderwerp schrijft, krijgt een band met de lezer, en heeft – als het goed is – inhoudelijk gezag. Je hoort dan van lezers dat ze hem of haar „graag lezen”, al gaat het om redacteuren die hun eigen mening zorgvuldig voor zich houden. Stem is nog geen opinie.

Het onverwachte vond ik bijvoorbeeld mooi aan het stukje van Funnekotter, die vertelde hoe in Nederland een subcultuur van heavy metal fans (onder wie hijzelf) had gesympathiseerd met het lot van die drie, ten onrechte, veroordeelde jongens. Hij haalde dus een jeugdherinnering op (hij werkte toen nog niet bij de krant), die iets aan het verhaal toevoegde. Het stukje stond helder gescheiden van het nieuws over de vrijlating van de jongens.

Funnekotter maakte functioneel gebruik van de ik-vorm. „Ik zal Damien Echols geen boeken meer sturen in zijn dodencel” – dat is een intrigerende openingszin en iets heel anders dan de ijdele ik-vorm die je ook wel eens tegenkomt (fictief voorbeeld: „Ik vroeg Obama of hij het met mij eens was dat…”). Het gaat om de zaak, niet om de auteur.

Curieuzer vond ik de ontboezemingen van chef Wetenschap Ellen de Bruin, die in een persoonlijk stukje op pagina 4 haar ervaringen met Diederik Stapel weergaf. Zij vertelde dat ze Stapel had meegemaakt in haar studietijd, typeerde hem („Hij had zo een religie kunnen beginnen”) en sprak de hoop uit „voor zijn gezin en hem” dat de publiciteit snel zou stoppen.

Wat voegt dat laatste nu toe? Medeleven is sympathiek, en net als bij Funnekotter ging het stukje vooral om herinneringen, maar toch: het is de chef Wetenschap van de krant die zich persoonlijk uitspreekt in een nog lopende fraudezaak. Dat kun je wel eens doen als er sprake is van groot onrecht, of ontspoorde berichtgeving. En inderdaad, Stapel kreeg er behoorlijk van langs (vooral op tv boden woordvoerders tegen elkaar op in geschoktheid), maar dat geldt ook voor andere publieke figuren die door eigen toedoen in opspraak raken.

Binnenlandredacteur Sheila Kamerman schreef in nrc. next over minderjarige asielzoekers die juist méér publiciteit willen en daarvoor ook haar benaderen (Goedendag, ik ben Aram, 30 november). Dat is nuttig, want dit is haar expertise – en nu kreeg de lezer een kijkje in de keuken. Maar ze vroeg zich ook af „wat ik als journalist, of namens mijn krant, kan doen voor de tientallen Yoseffen op mijn eigen netvlies.” Haar stuk besloot met een pleidooi, in de vragende vorm, voor een selectief pardon voor minderjarige asielzoekers („Moeten we niet af en toe met ons hand over ons hart strijken? [...] Dan kunnen zij door met hun leven. En wij ook.”).

Dat was een hartenkreet, en opinie – en dan had het ook op die pagina moeten staan.

De avondkrant nam het stuk ook mee, eveneens op een nieuwspagina maar daar waren deze passages verzakelijkt (,,Omdat ik als redacteur van NRC Handelsblad al jaren over asielzaken schrijf, krijg ik in mijn mailbox ook regelmatig berichten van ‘schrijnende gevallen’. Ze hopen dat aandacht in de media hun zaak goed zal doen.”). Ook het slot was geobjectiveerd: een selectief pardon „zou wel iets oplossen”.

Die aanpassing lijkt me terecht – het stuk was er trouwens niet minder indringend door geworden.

Schrijven met een eigen stem is een journalistieke deugd, en lezers mogen ook best (iets) meer zien van de journalisten die hun krant volschrijven – maar partij kiezen is riskant. De betrouwbaarheid van de krant kan in het geding komen. Bovendien: journalisten weten niet alles – morgen kunnen de zaken weer anders liggen. Wie dan als verslaggever partij heeft gekozen, nagelt zichzelf vast aan oude feiten.

En het belangrijkste: het onderwerp is altijd groter dan het ego.

    • Sjoerd de Jong