'Ik denk Duits'

Advocate Britta Böhler heeft een jaar sabbatical genomen. Bij een kop linzensoep vertelt ze dat ze nu drie thrillers en een roman schrijft.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Amsterdam, 05/12/11, Britta Bohler

Britta Böhler (51) heeft lichtblauwe ogen, lichtblonde haren, parelwitte tanden. Ze draagt een spijkerbroek, een trui van zwart velours en een sjaaltje om haar hals, zwart met witte stippen. Ze is advocate, ze was senator voor GroenLinks, ze wordt hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Een vroege lunch op maandagmiddag, zij reserveerde een tafeltje bij het raam bij TisFris, een café om de hoek bij het Amsterdamse Waterlooplein, op loopafstand van haar huis.

Ze is vaak vergeleken met Sissi, om haar serene schoonheid en haar Duitse komaf. Zij was de ‘beauty’ toen ze in 1998 de advocaat was van de Koerdische leider Abdullah Öcalan, en hij was de ‘beast’. Die zaak maakte haar landelijk bekend. Daarna verdedigde ze de terrorismeverdachten van de Hofstadgroep, de moordenaar van Pim Fortuyn Volkert van der G., de VVD-politica Hirsi Ali. You can save the world, staat als motto op haar website, one case at a time.

Het lijkt alsof ze ook zichzelf beschrijft als ze het heeft over haar advocatenkantoor. Mooi aan de buitenkant, gründlich van binnen. Ze ging er in 1994 werken, haar voormalige echtgenoot Victor Koppe kwam een paar jaar later.

Böhler advocaten (zo heet het kantoor nu) ziet er aan de buitenkant uit als een commercieel kantoor, zegt ze. Grachtenpand aan de Keizersgracht, marmeren trappen, notenhouten lambriseringen. „Je verwacht niet dat we veel doen aan wat je vroeger sociale advocatuur noemde: asielzaken, vreemdelingenzaken, zaken voor mensen die zelf geen advocaat kunnen betalen.” Bij geen enkel Nederlands kantoor, zegt ze, vind je zoveel expertise en kennis van het internationale recht. Van de 21 advocaten die bij het kantoor werken, zijn er zeven gepromoveerd en vier professor. Vijf, als Britta Böhler het straks zelf ook is.

Ze bestelt een cola light met ijs en citroen. Verblikt niet als aan de andere kant van het raam, op een klein stukje kade langs het water een rafelige man en vrouw bankbiljetten uitwisselen. Roept opgetogen ‘yes’ als de serveerster zegt dat de soep van de dag groene linzensoep is. Zorgzaam verschuift ze de volle flesjes cola op tafel, opdat ik ze niet zal omstoten.

Twintig jaar is ze al advocaat, maar nu even een jaar niet. Ze heeft een ‘sabbatical’ genomen. Vorig jaar juni liep haar termijn van vier jaar in de Eerste Kamer af. „Dat was een natuurlijke break.” Na drie keer vragen, kaatst zij een vraag terug. Dat is na mijn vraag of ze soms genoeg had van de advocatuur, de vraag of ze echt niet teleurgesteld was in de politiek, en de vraag of ze het gewoon wat rustiger aan wil doen.

„Is dat soms typisch Nederlands?”, vraagt ze. „Is een sabbatical bij jullie een codewoord voor iets anders? Iedereen reageert er hetzelfde op. Eerst zeggen ze: ‘O, wat heerlijk.’ En dan: ‘Maar waarom dan? Had je geen zin meer?” Haar keuze om even geen strafzaken te doen, is geen keuze tegen iets. Als advocaat werkte ze hard, dat klopt, maar niet te hard om daarnaast ook prettig te leven. De politiek vond ze „leuk en spannend”. Ze heeft in de Eerste Kamer „interessante debatten gehad met verstandige mensen” en daarbij nooit de illusie gehad dat zij, met een fractie van vier man van een oppositiepartij, iets kon veranderen. „Een advocaat zit altijd aan het einde van wetgevingsproces. Ik was nieuwsgierig hoe het werkte waar de wetten worden gemaakt.”

Enig kind

Eens in de vijf jaar, vindt ze, moet je nadenken over wat je de komende vijf jaar wil doen. Zo is ze opgevoed. Haar vader, financieel directeur bij een uitgeverij, koos toen hij bijna 50 was voor een baan bij een compleet ander bedrijf. Van hem heeft ze het jeugdige voorkomen, de gladde huid. Haar moeder heeft ook altijd fulltime gewerkt, bij het ministerie van Onderwijs. Haar ouders wonen nog in Freiburg, waar ze werd geboren, ze is enig kind. „Ze zijn nu boven de tachtig, maar gedragen zich niet oud.” Ze lezen de krant, volgen de politiek, ook die van het land van hun dochter via het televisiekanaal BVN (Beste van Nederland). „Je moet nieuwsgierig blijven. Jezelf vernieuwen.”

Zij wilde boeken schrijven. Ze schreef er eerder twee. Een over de Öcalan-zaak (2000) en Crisis in de rechtstaat (2004), over de stand van de beschaving in Nederland. Dat waren boeken die met haar werk van doen hadden. „Dat gaat nog wel tussendoor.”

Nu schrijft ze aan een thriller, of eigenlijk drie thrillers want het wordt een trilogie. En ondertussen schrijft ze een roman. „Dit vereist een totaal andere manier van werken. Een andere mindset.”

Ze heeft even moeten zoeken hoe het moest. Niet romantisch met een laptop in een café, zoals ze hoopte. Ook niet in de avonduren. „Ik dacht dat dat goed zou uitpakken, want ik hou niet per se heel erg van vroeg opstaan.” Het werkt alleen als ze vroeg opstaat en direct begint, in eenzaamheid en afzondering. „Maximaal drie of vier uur lang. Langer gaat niet.” Ze wist van tevoren niet of ze het zou kunnen, schrijven. „Als het niet was gelukt, wilde ik het blijkbaar niet graag genoeg.” Nu vindt ze het heerlijk, ook als het – even – niet gaat. „Schrijven is geen dwang, als in: je moet 500 gram groenten per dag eten. Ook als ik na vier uur twee zinnen heb, die niet eens supergeweldig zijn, vind ik het geen rotwerk.”

Haar naam als detectiveschrijver is Britta Bolt, een samentrekking van haar naam en die van de co-auteur Rodney Bolt, een Engelsman. Ze noemden de boeken naar het motto van het wapen van Amsterdam: heldhaftig, vastberaden en barmhartig. De hoofdstad, die ze allebei vijftien jaar geleden kozen als Wahlheimat, is het decor.

Het is geschreven als een klassieke detective, met speurneus Pieter Posthumus in de hoofdrol. De speurneus is geen agent, geen journalist en ook geen advocaat. „Als ik voor een advocaat had gekozen, zien lezers toch mij en lezen het boek misschien als een sleutelroman, dat wilde ik niet.” Dus maakte ze van Pieter Posthumus een ambtenaar die bij de gemeentedienst werkt en die anonieme overledenen begraaft. In een week tijd moet hij drie doden ter aarde laten bestellen: een zelfmoordenaar op een zolderkamer, een naakt lichaam in een gracht, een onbekende toerist die dood neervalt op straat. Als hij ontdekt dat de doden gelieerd zijn aan een terroristisch netwerk, wordt hij gedwarsboomd door de inlichtingendienst.

Met opzet heeft ze geen zaken uit haar praktijk verwerkt in het plot. „Maar natuurlijk gebruik ik dingen die ik heb meegemaakt.” Voor de boeken heeft ze zich verdiept in de zelfkant van de stad, woonde ze ‘eenzame uitvaarten’ bij. „Een verhaal moet geloofwaardig zijn. Het moet voorstelbaar zijn dat iemand geconfronteerd wordt met drie doden.” Terloops citeert ze Thomas Mann. „Nur das wahrhaft Gründliche ist unterhaltend.” Alleen het werkelijk grondige is onderhoudend.

De Posthumus-trilogie is in het Engels geschreven (volgend voorjaar komt het eerste deel tegelijkertijd uit in Nederlandse vertaling). Haar roman begon Britta Böhler in het Nederlands. De taal die ze leerde door hem direct bij aankomst te gaan spreken – ze had in Nederland de liefde (Victor Koppe) en werk gevonden (bij Loeff Claes Verbeke, een groot commercieel advocatenkantoor).

Taal als jurk

Nederlands is prima voor werk, voor non-fictie, zegt ze. De taal past haar als een goedzittende jurk, „maar het is niet mijn huid”. Ze heeft haar eigen taal nodig, juist omdat ze in haar roman probeert vast te stellen wat identiteit betekent, en of identiteit onlosmakelijk samenvalt met nationaliteit. „Die vraag gaat mij ook aan.” Zij heeft haar Duitse paspoort moeten inleveren toen ze in de Eerste Kamer kwam, omdat een Europeaan geen twee EU-paspoorten mag bezitten. „Ben ik nu minder Duits? Ik heb er meer dan dertig jaar gewoond. Ik denk Duits.”

Hoofdpersoon in haar roman is Thomas Mann, de Duitse schrijver van De Buddenbrooks (1901) en Dood in Venetië (1912). Haar lievelingsboek is De Toverberg (1927), waarin aan de vooravond van de Grote Oorlog (de Eerste Wereldoorlog) de filosofische strijd gevoerd wordt tussen het humanisme en het conservatisme. Geen eenvoudige kost, geen makkelijk te lezen taal. Of, zoals Britta Böhler zegt, het is een langzaam geschreven boek. „Zinnen die een halve pagina beslaan, meanderend, je moet in het ritme komen.”

Haar roman draait om de keuze die Thomas Mann moest maken, toen in de jaren dertig de nationaal-socialisten aan de macht kwamen in Duitsland. De keuze was: sympathiseren of vertrekken. Hij koos het laatste en leverde daarmee zijn Duitserschap in. „De vraag is: verandert er dan ook iets in zijn identiteit. Vraagteken.” Daar begint voor haar de fictie, het inleven, het in de huid kruipen. „En ondertussen onderzoek ik wat het voor mij betekent om Duits te zijn.”

Het romanonderwerp diende zich een jaar of drie geleden aan. „Nu beheerst de economie de politieke discussies. Maar toen was hét onderwerp van gesprek de dubbele paspoorten. Toen werd er gevonden dat iemand met twee paspoorten niet loyaal is.” Veel te simplistisch gedacht, vindt zij. „Hou je van je vader? Ja? Dan hou je dus niet van je moeder. Zo werkt het toch niet.”

Ze komt te spreken over ‘de natiestaat’ en dat dat een negentiende-eeuwse uitvinding is. Over de vraag of er ooit een nationaal paspoort zal komen. Over internationale wet- en regelgeving en dat dat de toekomst is.

Als je haar zo rustig en weloverwogen hoort praten, zie je haar zo zitten als voorzitter van een groot internationaal tribunaal. Of als minister. Ze wappert met haar roodgelakte nagels langs haar oorbellen. „Zeker omdat ik parels draag.” Maar, toegegeven, ze ziet zelf ook wel dat zo’n functie haar niet zou misstaan. Eerst maar eens hoogleraar. Twee dagen in de week, de universiteit op loopafstand van haar huis. Goed te combineren met het schrijven. Ze gaat onderzoek doen, en college geven voor studenten die de minor togaberoepen volgen. „We doen ook nog een oefenrechtbank. Studenten zijn rechter, officier van justitie, advocaat. Ze moeten leren een pleidooi te houden. Dat leren Nederlanders niet op school, uit de losse pols een debat voeren.” Wat haar kracht is als ze pleit? „Onder druk ad rem zijn.” Ze lacht en reikt de serveerster de colaflesjes aan.