Iedereen begrijpt Edward Kienholz

Edward Kienholz maakte nachtmerries waar je in kunt dwalen. Hij haatte inhalige machthebbers, discriminatie en oorlog. Mooi was niet belangrijk. Zijn beelden zijn altijd mysterieus en sensueel.

Zelden twee mensen gezien die zich zo onbekommerd in de ingewanden van andermans kunstwerk nestelden als Nancy Reddin – weduwe van de kunstenaar Edward Kienholz – en de bevriende curator Walter Hopps. Het tweetal plofte neer in Kienholz’ kunstwerk Roxy’s, een zaalvullende hoerenkast uit 1961 vol getormenteerde, naakte poppen, bric-à-brac, versleten tapijten, schilderijtjes, feestelijk behang. Hopps schommelde hard heen en weer op een schommelstoel; Reddin buikte uit op een oude sofa.

Het was 1997 in Berlijn, en het duo liet zich interviewen in de Martin Gropiusbau, waar een groot retrospectief zou openen over Edward Kienholz (1927-1994), een van Amerika’s bekendste popkunstenaars. Roxy’s stond al gauw blauw van de rook. Sigaretten werden links en rechts uitgedrukt op overvolle schoteltjes. Terwijl as om haar heen dwarrelde, vertelde Reddin dat er voor haar man geen scheidslijn had bestaan tussen kunst en leven. Niet alleen haalde ‘Ed’ het materiaal letterlijk van straat, op autosloperijen en uitdragerijen. Ook zijn thematiek vond hij op straat, in de krant, op televisie. De Vietnamoorlog, discriminatie, wantoestanden in de psychiatrie, armoe en uitbuiting – als typisch kind van de jaren zestig vertaalde Kienholz zijn politieke standpunten in nachtmerrieachtige kunst waar elk taboe – ook dat van de esthetiek – op de schop ging.

Werd in Berlijn destijds op onorthodoxe manier duidelijk hoezeer Kienholz’ kunst in de alledaagse werkelijkheid wortelde, nu, op een kleiner maar nog steeds groot retrospectief van zijn werk in de Schirn in Frankfurt, wordt de nadruk verlegd naar die van de democratie. En dat is niet zo verwonderlijk. Het één heeft bij de autodidact Kienholz namelijk direct met het andere te maken.

Kienholz’ kunst is net als de fresco’s uit de Middeleeuwen voor iedere leek begrijpelijk. Niet voor niks zei hij altijd dat je geen kunstgeschiedenis gestudeerd hoefde te hebben om zijn werk te begrijpen.

De assemblages en environments, ontstaan vanaf de vroege jaren zestig tot aan Kienholz’ dood in 1994, zijn altijd ‘leesbaar’ – en oefenen daarom zo’n aantrekkingskracht op jongere generaties uit. De kunstwerken kennen geen verschil tussen ‘hoog’ en ‘laag’. Ze sluiten bij voorbaat geen enkel materiaal uit. Ze zijn altijd maatschappijkritisch, maar behouden met hun weerbarstige smerige esthetiek en wonderlijke combinatie van objecten altijd iets mysterieus en sensueels. Dit laatste tilt ze boven het anekdotische hier en nu uit.

Zo is in Frankfurt The State Hospital opgebouwd, een helse kijkdoos uit 1966 waar de bezoeker in kan gluren via een luik in een deur. In een smerige isoleercel liggen twee gestalten met riemen vastgebonden op de britsen van hun stapelbed. Hun gezicht heeft geen ogen, geen mond, geen neus: alleen een ovalen spiegelende vorm. Een rode, stripachtige tekstballon in neon stijgt op uit het hoofd van de onderste psychiatrische patiënt en omsluit de gevangene op het bed boven hem. Door die rode ballon laat Kienholz het beeld slim kantelen. Want waar kijk je eigenlijk naar? Naar een aanklacht tegen de psychiatrie – inderdaad. Maar ook naar een vreemde droom die misschien wel helemaal geen droom is.

Hetzelfde geldt voor een van de klapstukken op de tentoonstelling: The Ozymandias Parade uit 1985. Kienholz heeft het idee voor dit gargantueske spektakelstuk ontleend aan de achttiende-eeuwse Britse dichter Shelley, die schreef: „My name is Ozymandias, King of Kings, Look on my Works, Ye Mighty and Despair.” The Ozymandias Parade is een spiegelend vliegdekschip vol vrolijke flikkerlichten, waar de generaals luid toeterend onder de buik van hun met verf besmeurde paarden hangen of zich in een karretje laten voorttrekken door een oude toverkol. Hun wapens zijn nep, hun medailles potsierlijk, hun zonnebrillen pathetisch, hun gezichten bespottelijk toegetakeld.

Kienholz bundelt in dit narrenschip zijn afkeer van hebzuchtige machthebbers in één groot krachtig beeld. Dat doet hij niet door te drammen, niet door de kijker iets eendimensionaals voor te schotelen. Maar door de idiotie van al die machtige mannetjes te laten zien. Laat ze maar, zegt Kienholz, ze gaan toch wel hun afgrond tegemoet, al is het lachend.

Tentoonstelling ‘Kienholz – Sign of the times’. T/m 29/1, Schirn Kunsthalle, Römerberg, Frankfurt. Di, vr-zo 10-19, wo-do 10-22 uur. Catalogus € 27,80. Inl: schirn.de. ****

    • Lucette ter Borg