Een volk op zoek naar een vaderland

België kreeg deze week, 541 dagen na de verkiezingen, een regering onder leiding van de Franstalige socialist Elio Di Rupo. Groeiden intussen Vlaanderen en Wallonië verder uit elkaar? Franstalige Vlamingen en Vlaamse Walen over hun land en hun toekomst.

Op een donderdagmiddag in december, op het landgoed Vaillampont bij de Waalse stad Nijvel, dansen hoogbejaarde Vlaamse boeren in de feestzaal op de Koekoekswals, La Paloma en Chérie van Eddy Wally.

Ze wonen al in Wallonië sinds de jaren vijftig of zestig, ze zijn lid van de Vlaamse ‘Broederschap van Onze Lieve Vrouwe van Halle’ dat elk jaar de viering organiseert voor Sint Elooi, patroonheilige van de boeren. ’s Ochtends vroeg was er koffie met cognac, toen een mis en daarna eten en drinken. Er liggen krukken op een muurtje, een vrouw heeft haar hoofd op haar borst gelegd en slaapt. Een accordeonist speelt.

In zijn toespraak heeft de voorzitter van de broederschap, Frans Deconinck, de boeren herinnerd aan de droge maand mei. Op de velden zag je kale plekken. „Maar na zonneschijn kwam regen.” Het afgelopen jaar stierven vijftien leden, de ondervoorzitter kreeg een verkeersongeval, in de politiek was er „licht aan het einde van de tunnel”: een regering voor België na bijna anderhalf jaar onderhandelen. Al bleef het moeilijk tot aan de verdeling van de ministersposten tussen Franstaligen en Vlamingen. „Opgepast maar”, zei Deconinck met een grote grijns, „dat de één niet meer krijgt dan de ander.”

Een paar weken eerder zaten Frans Deconinck en Marcel Debar (74), secretaris van de broederschap, aan tafel in de hoeve van Deconinck, in het dorp Marbais in Waals-Brabant. Een grote boerderij met witte muren eromheen, 180 koeien, honderd hectare land. Hun vrouwen zijn er ook: Agnes Verstraete (68) en Maria Baes (71). Ze zijn, zeggen ze, de jongeren van de vereniging, alle andere leden zijn ouder. En na hen houdt het op. „Dan is het verhaal van de Vlaamse boeren in Wallonië voor de boekskes”, zegt Frans Deconinck.

Junkies

Niemand weet nog precies wat de langste regeringsvorming ooit, wereldwijd, met België heeft gedaan. Anderhalf jaar lang ging het land van de ene grote politieke crisis naar een nog grotere politieke crisis. Vlaamse en Franstalige politici vertrouwden elkaar steeds minder. De Vlaams-nationalistische N-VA van Bart De Wever, die de verkiezingen had gewonnen, zou elk akkoord tegenhouden omdat de partij niet wil dat België blijft bestaan. De Parti Socialiste van Elio Di Rupo, oppermachtig in Wallonië, zou willen dat de federale overheid geld blijft geven voor Franstalige werklozen. De toon was hard. Bart De Wever vergeleek Franstaligen met junkies die afhankelijk waren van de geldtransfers uit het noorden.

Volgens politiek analisten polariseerden de geesten, Vlaanderen en Wallonië groeiden verder uit elkaar. Maar in Wallonië wonen ook Vlamingen – en in Vlaanderen Franstaligen. Soms volgen ze alleen de media in hun eigen taal, maar ze maken ook elke dag mee hoe die ander, met die andere taal, denkt en zich gedraagt. Hoe zien zíj de politieke problemen in hun land? En welke toekomst zien ze voor zichzelf?

Franstaligen in Vlaamse steden als Gent of Antwerpen denken er nu soms over na wat ze doen als België uit elkaar valt. „Dat is raar”, zegt Eric Laureys, historicus en bestuurslid van het Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen. „Als dat gebeurt, woon ik niet opeens in een andere omgeving. Toch heb ik erover nagedacht of ik dan met mijn gezin naar Brussel moet verhuizen. Ik zou er veel moeite mee hebben om een sticker met VL op mijn auto te plakken.”

De Vlaamse boerin Andrea D’Haens (77) is bestuurslid van de Vlaamse boerinnenbond in Wallonië, die zangfeesten organiseert en bijeenkomsten met thema’s als ‘leven op goeie voet’, over voetverzorging, of ‘kwaliteitsvol leven tot het einde’. Ze kijkt naar Vlaamse televisiezenders, ze vindt dat Walen te veel eisen stellen en dat Vlamingen niet goed voor zichzelf opkomen. Die hadden dringend een sterke man nodig als Bart De Wever. Maar als haar zus in Vlaanderen vraagt of ze terugkomt, zegt ze ‘nee’. „Wallonië is goed voor ons geweest. We zijn goed ontvangen. Mijn man is hier begraven, er kwamen duizend mensen. Ze zeiden: onze boer is gestorven.”

Van de honderdduizenden Vlamingen die eind negentiende eeuw naar Wallonië gingen om in de metaalindustrie te werken, zijn alleen de achternamen overgebleven. Hun achterachterkleinkinderen zijn Waals. Van de jaren dertig tot eind jaren vijftig in de vorige eeuw werden de havens van Antwerpen en Zeebrugge uitgebreid. Vlaamse boeren werden er onteigend en gingen op zoek naar bedrijven in Wallonië. Daar waren er genoeg die leegstonden of waar geen opvolger voor was – in Wallonië waren de gezinnen kleiner, in Vlaanderen had de katholieke kerk nog meer invloed.

In de Tweede Wereldoorlog waren er ook Waalse boeren die hun bedrijf niet konden overdoen aan hun zoons omdat die krijgsgevangenen waren. De Duitsers lieten de Vlaamse soldaten bewust gaan om ze aan de kant van de bezetter te krijgen. „Bij de Waalse boerenbond weten ze nog wel dat de Vlamingen ook daardoor al die boerderijen konden overnemen”, zegt Guido Fonteyn, auteur van het boek Boerenpsalm over Vlaamse boeren in Wallonië. „Maar er zijn er ook die zeggen: de Vlamingen hebben onze landbouw gered.”

Er kwamen tienduizenden Vlaamse boeren. Niemand weet hoeveel het er nu nog zijn. De Broederschap van Onze Lieve Vrouwe van Halle heeft zo’n driehonderd adressen in zijn ledenbestand.

Scouts en tennisclubs

Het verhaal van de Franstaligen in Vlaanderen is anders. Die in de Vlaamse gemeentes rond Brussel komen vaak uit Brussel zelf. Ze gingen op zoek naar groen en rust, maar werken meestal in de stad. Ze zijn met veel en tellen politiek mee, ze hebben partijen die opkomen voor hun belangen. De Franstaligen in provincies als Antwerpen en Oost-of West-Vlaanderen zijn Vlamingen, altijd geweest, maar ze spreken de taal die, vanaf het ontstaan van België tot aan de jaren zestig in de vorige eeuw, in het hele land de taal was van bestuurders en van de betere stand.

Ook van hen weet niemand hoeveel er nog zijn. Er zijn in Vlaanderen Franstalige Lions Clubs, studieverenigingen, scout-, voetbal- en tennisclubs. De vereniging Anvers Amitié organiseert elk jaar een skivakantie naar Frankrijk waar zo’n negenhonderd Franstalige Antwerpenaren zich voor opgeven. Ze huren dan bijna een heel dorp af.

In de woonkamer van Marc Vandevorst (57), commercieel directeur bij een bedrijf dat sanitair verkoopt, hangt het jachtgeweer van zijn grootvader. In de hoek staat een kast uit het vroegere buitenverblijf van zijn grootouders, een kasteeltje. Vandevorst woont in Schilde, bij Antwerpen. Hij vertelt dat hij uit een Franstalige familie komt van artsen, apothekers en advocaten. „Nederlands leerde ik van de meid die op haar veertiende bij ons in huis kwam.”

Als kind luisterde hij naar de Franse radio, naar chansons, hij leerde het Franse toneel en de Franse films kennen, zijn vader las La Libre Belgique. Diploma’s had je als Franstalige in de tijd van zijn grootouders en ouders niet nodig – je kreeg een baan omdat je de juiste connecties had. „Wij voelden ons toch wel wat beter dan de Vlaamstaligen en wij hadden de middelen. Dat was het snobisme van vijftig jaar geleden.”

Maar de Vlamingen streden hun emancipatiestrijd, in 1962 werd de taalgrens vastgelegd, er kwamen taalwetten, de universiteit van Leuven zette in 1968 de Franstaligen eruit. „Wij werden geplaagd door de kinderen van flaminganten”, zegt Vandevorst. „Mijn eigen kinderen hebben dat niet meer meegemaakt.”

De Franstaligen, zegt Vandevorst, „evolueerden”: bij de meesten verdween volgens hem het snobisme. Vandevorst leest De Standaard, hij luistert naar de Vlaamse klassieke radiozender Klara. „Uiteindelijk voelen wij ons Vlaming, omdat mijn roots hier liggen, maar cultureel voel ik me Franstalig. Ik interesseer mij voor de Vlaamse economie en politiek. En wij begrijpen de Vlaamse politici. Wij weten dat Wallonië ons geld kost en willen niets liever dan dat Vlaanderen het goed blijft doen.”

Vandevorst denkt niet aan verhuizen als Vlaanderen onafhankelijk zou worden. Maar een sticker met VL op zijn auto? „Dat zou ik vervelend vinden. Ik bén geen Vlaming. Ik ben een Franstalige Vlaming. Maar ben ik nu consequent?”

Vandevorst vertelt hoe erg zijn ouders het vonden toen zijn broer met een Vlaamse vrouw trouwde. Hijzelf denkt zo niet, hij wil dat zijn kinderen gelukkig worden. „Al zou ik het op cultureel vlak spijtig vinden. Als je samen bent in de familie en je hebt het over muziek, toneel, kunst of economie, dan zal een Vlaamstalige dat niet op dezelfde manier aanvoelen als wij.” Vandevorst zucht. „Ik weet dat ik mezelf tegenspreek. Ik ben ook opgevoed in een bourgeoisfamilie. Met de generatie van mijn kinderen zal het weg zijn.”

Collaboratie

In het Liberaal Archief in Gent houdt het Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen begin oktober een studiedag over Franstaligen en Nederlandstaligen in Vlaanderen. Er zijn wetenschappers uit Gent, Brussel en Louvain-La-Neuve, in de zaal zitten zo’n tachtig mensen – studenten, veertigers in pak, ouderen.

De Brusselse psycholoog Ariane Bazan, die een Vlaamse moeder en een Franstalige vader heeft, presenteert resultaten van haar onderzoek naar het moeizame samenleven van de taalgroepen. Ze noemt de verdedigingsmechanismes: Franstaligen van Vlaamse origine willen niet aan hun achtergrond herinnerd worden en kijken neer op Nederlandstalige Vlamingen. En je hebt de Vlamingen die getraumatiseerd zijn door de collaboratie met de Duitsers. Maar lang niet iedereen had eraan meegedaan: je had de ‘witten’ en de ‘zwarten’. Die interne verdeeldheid probeerden ze op te lossen – „ze duwden die naar buiten”, zegt Bazan – om een eigen identiteit terug te vinden. De ‘breuklijn’ met de Franstaligen hielp volgens Bazan de Vlaamse eenheid te herstellen.

Bij het publiek heeft vooral antropoloog Bambi Ceuppens succes. Ze praat over „Franstaligen als de ultieme ander” voor de Vlamingen. De haat voor de Franstalige bourgeoisie is volgens haar vervangen door een afkeer van het ‘luie proletariaat’ in Wallonië, het ‘profitariaat’. De Franstaligen in Vlaanderen spelen geen rol meer voor de Vlamingen, zegt ze. „Ze denken: nog tien of twintig jaar, dan zijn ze uitgestorven.”

Eric Laureys van het Studiecentrum Franstaligen zegt dat in Vlaanderen „al wat Franstalig is” vereenzelvigd wordt met de vroegere elite. Maar de Franstaligen zijn allang niet meer elitair of arrogant. „Het is een gemarginaliseerde groep geworden, al staan ze er financieel nog altijd goed voor. In het publieke leven in Vlaanderen hebben ze het onderspit moeten delven.”

Laureys ergert zich aan Franstaligen die doen alsof ze dat niet zijn. „Dan draag je bij aan het Vlaamse idee dat er alleen nog een paar oude Franstalige gravinnen zijn, ver weg in een kasteel.” Zijn broer had zichzelf vroeger een Vlaams accent aangeleerd. Eric Laureys stapte na school soms met een bloedneus uit de bus. Als hij met zijn ouders naar Franstalige documentairevoorstellingen in Antwerpen ging, was er politiebegeleiding. Het ‘Taal Aktie Komitee’ gooide rotte eieren en tomaten.

Eric Laureys was lid van Franstalige verenigingen, hij ging naar de dansles die Franstalige vrouwen hadden georganiseerd, met daarna een fuif in een villa of kasteel – ze wilden dat hun kinderen verliefd werden op andere Franstaligen. Laureys trouwde met een Franstalige en voedt zijn kinderen in het Frans op. „Mijn dochter kreeg een keer een rode aantekening in haar agenda omdat ze op school Frans praatte tegen vriendinnen. Ze weet dat ze moet oppassen.”

Het is onzin om te denken dat de Franstaligen Vlaanderen willen verfransen, zegt Laureys. Maar als er niet méér aandacht komt voor het Frans zal Vlaanderen „historisch erfgoed” kwijtraken. Vlamingen spreken steeds minder goed Frans en Laureys ziet om zich heen hoe ook het Frans van de Franstaligen verslechtert. Zijn eigen kinderen praten Nederlands met elkaar.

Aan tafel in Marbais, Waals-Brabant, beginnen de Vlaamse boeren over hetzelfde probleem. „Onze woordenschat in het Nederlands is minder aan het worden”, zegt Maria Baes. Haar man, Marcel Debar, knikt. „C’est ça.” Het Nederlands, zegt Frans Deconinck, is ook een doel van het Vlaamse verenigingsleven in Wallonië. „Het gaat om de verbondenheid met elkaar, maar ook om de taal.” „C’est ça”, zegt Debar.

Vlaamse boerinnenbond

Er zijn in België nog maar weinig plaatsen waar Franstalige Belgen en Vlamingen elkaar kunnen tegenkomen. In de gemeentes rond Brussel nog wel, in de rest van het land bijna niet. Ze hebben hun eigen radio- en televisiezenders, kranten, politieke partijen. Wallonië heeft zijn eigen Wallons connus, Vlaanderen heeft Bekende Vlamingen. Ze weten het vaak ook zelf: als ze minder met elkaar te maken hebben, is het makkelijker om in clichés over elkaar te denken. En dat is weer makkelijk voor politici die willen polariseren.

Als de Franstaligen in Vlaanderen proberen om minder zichtbaar te zijn, omdat ze niet elitair willen overkomen, verdwijnt daar de Franstaligheid. In Wallonië gebeurt hetzelfde met de Vlaamse boeren. Er was er niet één die zijn zoon of dochter kon overhalen om lid te worden van de Vlaamse Broederschap of de Vlaamse boerinnenbond.

„Het is voor ons spijtig als we uitgestorven zijn”, zegt Frans Deconinck, voorzitter van de Vlaamse Broederschap. „Maar onze kinderen en kleinkinderen gaan het Vlaamse gedachtegoed en onze verbondenheid aan Vlaanderen niet missen.” Die spreken Frans, ze zijn lid van Franstalige verenigingen, ze trouwen met Walen. „En ze denken als Walen”, zegt Marcel Debar. „Mijn oudste zoon vindt Vlaanderen egoïstisch.”

De twee zoons van Andrea D’Haens trouwden met Waalse vrouwen en voelen zich Waals, net als hun kinderen. Dat vindt ze jammer. „Je wilt toch dat voortleeft wat in jouw genen zit.”

Andrea D’Haens sprak geen Frans toen ze op haar drieëntwintigste naar de Waalse provincie Henegouwen verhuisde, waar haar man een boerderij had gepacht. Ze vertelt het als grap: toen haar buren over ‘votre mari’ begonnen, reageerde ze geïrriteerd. „Hij heet René, niet Marie.”

De buren noemden haar ‘madame’. „Ik dacht: dan gaan ze me nooit aanvaarden. In ons dorp in Vlaanderen waren er maar twee madammen: die van het kasteel en die van de notaris. De rest was Marietje of Emma of Jef. Maar de mensen hier zijn anders opgevoed, ze bedoelen het niet kwaad. Vreemdelingen worden hier makkelijker geaccepteerd dan in Vlaanderen.” Haar zoon werd op school één keer uitgescholden voor ‘vuile Vlaming’. „Ik zei: klop er maar eens goed op. Daarna was het over.”

Op een zondagochtend in november spelen zo’n twintig jongens Dikke Bertha. Ze rennen over het gras, één jongen moet de overlopers vangen en optillen. Ze horen bij ‘49 BP Schilde’, een groep van tachtig Franstalige scouts. Ze krijgen geen subsidie van de gemeente. „We zouden dan onze communicatie in het Nederlands moeten doen”, zegt groepsleider Christophe Vandevorst (28), zoon van Marc Vandevorst. „Maar we willen onze identiteit niet opgeven.”

De scouts proberen alle Franstalige families in de omgeving te interesseren voor lidmaatschap. Als ze in winkels iemand Frans horen praten, spreken ze die aan en vertellen over de groep. Want het valt niet mee om het ledental op peil te houden, zegt Christoph Vandevorst. „Dat is een bekommernis. Er zijn hier steeds minder Franstaligen.”

‘Dikke Bertha’ is voorbij. Als de jongens naar binnen gaan, spreken ze Nederlands met elkaar. „We sporen hen aan om Frans te spreken”, zegt Vandevorst. „Maar ze kennen elkaar van school en daar spreken ze ook Nederlands.”

    • Petra de Koning