De nieuwe apartheid

Sociologie Hoogopgeleiden en laagopgeleiden leven in afzonderlijke werelden, zegt de Belgische socioloog Mark Elchardus. “De verschillen zijn hemeltergend groot.”

‘Na de basisschool scheiden hun wegen. In hun latere leven zitten ze misschien nog samen in de trein, maar de trams in Brussel worden vooral bevolkt door laaggeschoolden en leden van minderheden.” De Belgische socioloog Mark Elchardus heeft het hier over de groeiende afstand – materieel, sociaal en cultureel – tussen West-Europeanen met een lage en een hoge opleiding. Hij buigt zich al jaren over deze ‘nieuwe breuklijn’.

Die breuklijn is ook de rode draad in het vorige maand verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). In De sociale staat van Nederland – 2011 constateert het SCP ‘hardnekkige ongelijkheden’ op allerlei terreinen, zowel materieel (werk, huisvesting, gezondheid) als immaterieel (welbevinden, houdingen en opvattingen). Het planbureau rept van een ‘kloof’ en die gaapt vooral tussen laag- en hoogopgeleiden.

De rapporteurs schrijven: “Opleidingsniveau blijkt een sterke voorspeller te zijn van de leefsituatie van mensen. […] Of het nu gaat om gezondheid en levensverwachting, om onderwijsachterstanden, om politieke invloed, om de kwaliteit van de woning en de woonomgeving, of om de kans om werkloos te raken, de verschillen zijn soms groot en lopen grotendeels langs de lijnen van het opleidingsniveau. […] Dat geldt voor zowel de hardere kant in de maatschappij (werk, school, wonen) als voor de belevings- en opiniekant (geluk, vertrouwen).”

“Voilà,” reageert professor Mark Elchardus als ik hem deze passages voorleg. “Het is verbazingwekkend met hoeveel ongelijkheden onderwijs verband houdt: de verdeling van materiële middelen, kansen op werk, gezondheid, levensverwachting, maar ook opvattingen, levenswijze, levensstijl, politieke voorkeur, participatie in het verenigingsleven, noem maar op. Die verschillen zijn dikwijls groot, soms hemeltergend groot. Het SCP noemt een verschil van 14 procent in levenstevredenheid en een verschil in levensverwachting van 7 jaar. In België zien we een verschil van 5 à 6 jaar in totale levensverwachting en van 10 à 11 jaar voor de levensverwachting in goede gezondheid, dus zonder ernstige chronische aandoeningen of fysieke beperkingen. Dat zijn enorme ongelijkheden.”

Elchardus is hoogleraar cultuursociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en doet al twintig jaar onderzoek naar de ‘nieuwe breuklijn’. Is dit nu een nieuw inzicht of is het een nieuw verschijnsel?

Elchardus: “Dat is de one million dollar question. Het probleem is dat we niet zo heel veel gegevens hebben die ver teruggaan in de tijd. Data die je nodig hebt voor een langetermijnperspectief van vijftig, zestig jaar ontbreken voor een brede waaier van variabelen. In de tweede plaats is er die enorme onderwijsexpansie. Elke nieuwe generatie die aantrad, werd hoger opgeleid dan de vorige; en de oudste en minst opgeleide generaties stierven uit.”

Lager geschoold noemt men in België mensen met niet meer dan negen jaar formeel onderwijs; middelhoog die met een afgeronde middelbare opleiding; en hooggeschoold de mensen met een hogere beroeps- of academische opleiding. Elchardus: “Vlaanderen kent op dit ogenblik een bijna gelijke verdeling: eenderde van de bevolking is laag-, eenderde middelhoog- en eenderde hoogopgeleid. [Ter vergelijking: volgens het European Social Survey was de Nederlandse verdeling in 2008: laaggeschoold 37 procent, middengeschoold 34 procent en hooggeschoold 29 procent, DV] In 1961 was 91 procent van de Vlamingen laagopgeleid en 2 procent hoogopgeleid. Een spectaculaire verschuiving.”

Steeds meer sociologen hebben het, met Elchardus, over een ‘nieuwe breuklijn’. Toch valt de culturele scheidslijn in veel opzichten samen met de sociaal-economische. Mensen met een lage opleiding doen in het algemeen laag betaald werk en hebben een zwakkere positie op de arbeidsmarkt.

Elchardus: “Er is wel een verband tussen de twee breuklijnen, maar het is nuttig ze te onderscheiden. Het is, zoals gezegd, lastig om voor één land over een langere periode na te gaan wat er is gebeurd met die ongelijkheden naar onderwijsniveau. Maar je kunt wel landen vergelijken met verschillende ontwikkelingsniveaus. Dat hebben wij gedaan. Er zijn al zo’n twintig jaar vrij goede en onderling vergelijkbare gegevens over OESO-landen, de meest ontwikkelde landen in de wereld. Zo kunnen we Europese landen rangschikken op ‘ontwikkelingsgradiënten’: hoofdelijk inkomen, ontwikkeling van de verzorgingsstaat en de informatie-economie. Landen binnen Europa die economisch sterk ontwikkeld zijn, zijn ook sterke verzorgingsstaten en doorgaans ook sterke kenniseconomieën. Voorop lopen Duitsland, Nederland, Finland, Denemarken en Zweden. Achterblijvers zijn Bulgarije en Roemenië.”

Geen verliezers

Elchardus’ onderzoeksgroep keek steeds naar verschillen in gezondheid, werk, levenstevredenheid en opvattingen tussen de 20 procent laagst geschoolden en het gemiddelde van de bevolking. Naarmate een economie meer ontwikkeld is zijn de verschillen in gezondheid en werkomstandigheden kleiner. De relatieve arbeidsparticipatie blijft nagenoeg gelijk. Qua welbevinden is het verschil kleiner al naargelang het ontwikkelingspeil stijgt.

Elchardus: “De veelgehoorde stelling dat laaggeschoolden de verliezers zijn van de kenniseconomie gaat dus niet op. Blijkbaar heeft men in die economieën ook dat soort mensen nodig. Misschien is er een verschuiving van de industrie naar dienstensectoren – schoonmaak, onderhoud – maar het blijft werk. Op het vlak van de gezondheid sluiten laaggeschoolden in de ontwikkelde economieën veel beter aan bij het gemiddelde van de bevolking. En dat is de verdienste van de verzorgingsstaat. In sociaal-economische kwesties slaagt die er beter in de laaggeschoolden mee te nemen. Niet dat de ongelijkheid verdwijnt, zeker niet, maar laaggeschoolden zitten er veel dichter bij het bevolkingsgemiddelde dan in de minder ontwikkelde landen. Blijkbaar beseffen laaggeschoolden dit, want in ontwikkelde verzorgingsstaten zijn ze ook veel meer content met hun eigen leven.”

Voor houdingen en opvattingen gaat dit verhaal niet op. “Kijk je naar pessimisme over de samenleving, naar de moeite die men heeft met minderheden, naar de mate waarop men zeer hard en repressief wil optreden tegen criminaliteit, naar het vertrouwen in de instellingen, dan blijkt dat naarmate het ontwikkelingspeil hoger is, de kloof tussen hoog- en laaggeschoolde breder wordt. In de minst ontwikkelde landen van Europa staan hooggeschoolden kritischer tegenover de instellingen dan laaggeschoolden. In landen als Nederland en Denemarken is het juist andersom. Laaggeschoolden hebben daar veel minder vertrouwen in de instellingen dan hooggeschoolden. Je moet de twee breuklijnen, de sociaal-economische en de culturele, dus onderscheiden.”

Vanwaar die onvrede bij laaggeschoolden in de meer ontwikkelde verzorgingstaten?

“De verklaring die onze onderzoeksgroep hiervoor heeft ontwikkeld, hebben we ‘de symbolische samenleving’ genoemd. Dat was ons antwoord op de lange tijd populaire individualiseringsthese. Individualisering zou betekenen dat wat mensen denken en voelen minder dan vroeger wordt bepaald door hun sekse, familie, leeftijd, werk. Kortom: dat collectieve identificatie minder invloed heeft op keuzen die mensen maken. We hebben dat op alle mogelijke manieren geverifieerd, maar het blijkt niet waar te zijn. Integendeel, er zijn veel aanwijzingen dat die invloed sterker is geworden.”

Maar die collectieve identificatie werkt anders dan vroeger. “In de naoorlogse periode zijn in het noordwesten van Europa kerken leeggelopen, zijn gezag en gehoorzaamheid getaand, net als traditionele rolopvattingen. Maar dat heeft niet geleid tot individualisering. Wel is de manier waarop de samenleving wordt gestuurd veranderd. Gezag, gehoorzaamheid, traditie, de rol van religie en ideologie zijn veel minder belangrijk geworden. In plaats daarvan zijn andere instellingen onze smaken en opvattingen gaan sturen.

Beeldbuis

“In de eerste plaats is de taak van het onderwijs verbreed – niet enkel overdracht van kennis, maar ook van houdingen, opvattingen, waarden. In de tweede plaats is er de opkomst van de massamedia. Er was nagenoeg geen televisie in de jaren vijftig, nu heeft het gemiddelde gezin in West- Europa een 80 inch flatscreen. De instellingen die sturen hoe mensen de werkelijkheid interpreteren zijn nu vooral onderwijs en media.”

Als mensen een oordeel moeten vellen over de samenleving als geheel, gaan ze niet af op hun persoonlijke ervaringen, maar kijken ze naar het beeld van de werkelijkheid dat wordt gepresenteerd door de media. Welke media ze selecteren, naar welke programma’s ze kijken en hoe ze die signalen interpreteren, wordt sterk bepaald door hun opleiding.

Elchardus en zijn onderzoeksgroep vergeleken de opvattingen van leerlingen in het Vlaamse algemeen secundair onderwijs (aso, wij zouden zeggen: vwo), en van leeftijdgenoten in het beroepsonderwijs. Die ideeën bleken in de loop van de schoolperiode uit elkaar te groeien. Als het gaat over de bestraffing van criminaliteit tenderen vwo-leerlingen in de loop der jaren naar een libertaire, en vakschoolleerlingen naar een repressieve houding. Leerlingen van beroepsopleidingen hebben moeite met immigranten; Vlaamse ‘vwo’ers’ zijn een stuk verdraagzamer.

Elchardus: “Het uiteengroeien van de twee wereldbeelden verklaren we volledig door allengs divergerende mediavoorkeuren. Aan het begin van hun schoolloopbaan kijken leerlingen van beide schooltypen het liefst naar populaire tv-zenders, maar gaandeweg keren vwo-leerlingen zich daarvan af.

De jongens en meisjes in het beroepsonderwijs blijven wél kijken naar commerciële zenders. Ze lezen niet veel kranten en als ze dat wel doen, is het een populaire krant. Terwijl de leerlingen van het vwo die populaire media geleidelijk de rug toekeren. Die beginnen een krant als De Standaard te lezen en kijken vaker naar de VRT dan naar commerciële zenders.”

‘Niet de slimsten’

Hoe versterken populaire media die repressieve en intolerante houding van vakschoolleerlingen?

“Het ligt niet louter aan het media-aanbod. Het is een samenspel tussen opleidingsniveau en de interpretatie van mediaboodschappen. Er ontstaan in de samenleving ‘interpretatieve gemeenschappen’, groepen die dezelfde signalen en boodschappen oppikken en deze op dezelfde manier interpreteren. Veel laaggeschoolden hebben een onderwijscarrière achter de rug waarin ze voortdurend moesten horen dat zij niet de slimsten zijn – dat is de zwarte kant van onze meritocratie. Na school – en voor velen is de school verlaten een bevrijding – gaan zij die mediaboodschappen selecteren die aansluiten bij hun ervaringen en hun de sensatie geven ‘zie je wel’. Het zijn dikwijls die media die nogal sensationeel, ongenuanceerd nieuws brengen, met veel aandacht voor misdaad. De Amerikaanse communicatiewetenschapper George Gerbner heeft dit het mean world syndrome genoemd. De wereld wordt er voorgesteld als hard en zeer onveilig.”

Er zijn dus twee factoren in het spel. Allereerst een zwart, pessimistisch beeld van de samenleving : alles van waarde gaat naar de verdoemenis. De andere factor is ervaring: op ons is vaak neergekeken, terwijl we het eigenlijk even goed weten.

Elchardus: „Reality shows zijn niet voor niets zo populair. De mensen die daar zo nadrukkelijk gewoon zitten te zijn, daar identificeren laag opgeleiden zich mee. Die twee opvattingen – wij weten het even goed als de wijsneuzen; het gaat slecht met de samenleving – zijn de basiselementen van het populisme. Dat heeft stem weten te geven aan deze mensen.”

Veel sociologen schrijven dit etnocentrisme en dat negatieve maatschappijbeeld op conto van het geringe ‘culturele kapitaal’ dat kinderen meekrijgen van thuis en van school. Elchardus: “Daarmee zeg je eigenlijk dat dit etnocentrisme een soort cognitief falen is, als gevolg van een gebrek aan bagage. Ik heb daar vragen bij, want waar klagen laaggeschoolden over? De multiculturele samenleving is mislukt, die is veel minder aangenaam dan ons is voorgespiegeld, wij zitten met veel meer spanningen en misère in onze buurten. En: de saamhorigheid van vroeger is teloorgegaan. Dat laatste is een mythe: de genoeglijke jaren vijftig, toen alles nog goed was. Ze hebben ook het gevoel dat ze harder en langer moeten werken voor minder geld – en dat is geen mythe. Het is een ongenuanceerd beeld, dat maar voor een klein stukje is ontleend aan het eigen leven en voor een groot stuk aan de media. Maar in de grond zijn dit reële problemen, die veel hooggeschoolden ten onrechte ontkennen. Vandaar dat ik liever spreek van interpretatiekaders dan van cultureel kapitaal.”

    • Dirk Vlasblom