Dat geklets van economen over de euro mist de essentie

Politieke drijfveren voor de Europese Unie hebben uiteindelijk de overhand boven de economische. Bij stress herontdekt de EU zichzelf steeds, ziet Luuk van Middelaar.

Het toeval wil dat ik betrokken ben bij de Europese crisis vanuit een bijzonder gunstige observatiepost. Op 1 januari 2010, luttele weken voordat de Griekse crisis losbarstte, gaf ik mijn positie van onafhankelijk auteur op om aan de slag te gaan als speechschrijver van de eerste vaste voorzitter van de Europese Raad. Deze was bezig met de voorbereiding van zijn eerste top. De 27 staatshoofden en regeringsleiders zouden debatteren over groei en werkgelegenheid.

Het hele programma moest overhoop worden gegooid, vanwege het acute gevaar dat Athene zijn schuldenlast niet meer zou kunnen dragen. De ochtend van 11 februari 2010, toen de vuurdoop van de top officieel was begonnen, zat de voorzitter ervan in zijn werkkamer, op dertig passen van de mijne. Tot zijn eigen verbazing was hij nog druk in gesprek met de Griekse premier, de Duitse bondskanselier en de Franse president, om een akkoord te bereiken dat markten, Griekse betogers en de Duitse publieke opinie zou moeten geruststellen en waarbij de Europese eenheid niet in gevaar mocht komen. Het was een zware opgave.

Deze eurocrisis is een test op ware grootte – onverhoopt, moet ik zeggen. Het ware politieke karakter van de Unie is meer dan ooit zichtbaar en voelbaar geworden.

Dit begint met deze fundamentele eigenschap van de Unie: de politieke drijfveren van het samenleven hebben uiteindelijk de overhand op economische belangen. Je zou willen denken dat dit voor zich spreekt, maar wie commentaren op de crisis leest – en dan vooral het eindeloze geklets van economen – ziet dat dit niet het geval is. Uiteraard speelt geld een belangrijke rol in de onderhandelingen tussen landen over schulden, banken en reddingsfondsen. De keuze om de eenheidsmunt te redden is van een andere orde, zoals de keuze om de munt in te voeren dit al was, na de historische gebeurtenis van de val van de Berlijnse Muur. De redding, die voortkomt uit diepere gronden dan alleen het probleem van de kosten van het verdwijnen van de euro, heeft voor Duitsland, Frankrijk en nog meer landen iets te maken met hun verhouding tot de geschiedenis, met hun plaats op dit werelddeel tussen buren en bondgenoten, met een visie op de toekomst: het is ondenkbaar de kring van Europa te breken.

De Poolse minister die vorige maand verklaarde dat de stabiliteit van de eurozone voor de veiligheid van zijn land zelfs zwaarder weegt dan de raketten van Medvedev, deed niet aan ‘bangmakerij’ om zijn bevolking binnenlandse bezuinigingen of steun aan zwakkere landen te doen slikken. Polen zit immers niet in de eurozone. Hij meende het. Natuurlijk spreken zulke strikt politieke argumenten de logica van de markt absoluut niet aan. Door dit onbegrip wordt de crisis nog eens versterkt, zoals ook door het tempoverschil tussen de beide werelden – het enorme verschil tussen de snelheid van een muisklik van een aandelenhandelaar en een langdurige wetgevingsprocedure van 27 landen.

De Unie maakt het zichzelf bijzonder moeilijk. Doordat het niet lukt anderen van haar diepe overlevingsdrang te overtuigen, wordt de Unie in de gevarenzone gedrongen. Het is bijna alsof ze zichzelf eerst pijn moet doen om haar diepste bestaansreden weer te kunnen ontdekken en opnieuw onder woorden brengen, en dan uit onverwachte krachten put.

Behalve deze fundamentele eigenschap zijn nog drie lijnen te onderscheiden die de zestigjarige geschiedenis van de Unie doortrekken en ook in de eurocrisis aan het licht treden: een ongelooflijk vermogen tot vernieuwing, de belangrijke rol voor de regeringsleiders tegen hun zin in en de tegendraadse ontwaking van het publiek.

1Het uitzonderlijke vermogen van de Unie om onder druk van de gebeurtenissen een andere vorm aan te nemen. Tijdens de verwikkelingen rond Griekenland verdwenen plotseling absolute zekerheden en werden taboes doorbroken. De oogst van twintig maanden is niet gering – de aanzet tot een Europees ministerie van Financiën, de grondige wijziging van de budgetregels, de institutionalisering van de topoverleggen in de eurozone, drie landen onder financiële curatele, een reddingsfonds van 750 miljard euro, de herziening van het Verdrag van Lissabon (waarvan werd gedacht dat het minstens een generatie mee zou gaan), om nog maar te zwijgen van openbare discussies in diverse landen over de vraag of we niet nog verder moeten gaan.

Meegevoerd in een stroom van noodzakelijke en spoedeisende beslissingen, heen en weer geschud door belangentegenstellingen en botsingen van politieke culturen en zonder dat iemand een plan of een alomvattende visie heeft kunnen ontwikkelen, vangt de Unie de klap op. Ze komt ingrijpend vernieuwd weer tevoorschijn, maar door de verwarring waarin alles zich afspeelt en de ontevredenheid die de opeenvolgende compromissen bijna vanzelfsprekend ten deel valt (al mopperen bijna alle spelers om andere redenen…), is het natuurlijk moeilijk te zien wat een geweldige prestatie dat is.

Zo’n metamorfose is des te opmerkelijker als je bedenkt dat Europa van oorsprong is verankerd in een stelsel van vaste regels. De zes stichterstaten wilden met een verdrag en gemeenschappelijke instellingen weer beschaafdheid en voorspelbaarheid in hun onderlinge relaties brengen.

Na de twee wereldoorlogen uit de eerste helft van de eeuw was dit een geschikte en zelfs visionaire aanpak. De strategie om onderling op economisch vlak de handen te binden, stuit evenwel op grenzen als onvoorziene situaties het hoofd moet worden geboden en het erom gaat gezamenlijk op te treden. Geen enkel plan, geen enkel verdrag kan anticiperen op de onuitputtelijke creativiteit van de geschiedenis, laat staan vooraf adequate reacties erop formuleren. Vandaar ook de dynamische wisselwerking in de afgelopen zes decennia tussen het verlangen naar juridische zekerheid en de noodzaak veranderingen het hoofd te bieden, tussen een ‘Duits’ respect voor de wet en een ‘Franse’ drang naar politieke daadkracht. De manier waarop in 2010 de voor Berlijn heilige en in Parijs onbegrepen no-bail-out-regel werd omzeild om Athene te hulp te komen (er werden twee zinnetjes aan het verdrag toegevoegd), is een perfect voorbeeld van deze Europese dialectiek tussen regels en gebeurtenissen.

2De toenemende betrokkenheid van de nationale leiders. Europa ontwikkelt zich niet uitsluitend door steeds meer bevoegdheden over te dragen aan de instellingen in Brussel, ook verplicht Europa nationale politici meer verantwoordelijkheid op zich te nemen.

In dit financiële noodweer bemoeien juist regeringsleiders zich heel zichtbaar met het ‘crisismanagement’: spoedtoppen van de eurolanden, soms dagelijkse telefoongesprekken tussen leiders over hun schulden en een stroom aan wederzijdse bezoeken – en dit terwijl de betrokken leiders in een aantal gevallen veel liever hadden gewild dat de hete aardappel was blijven liggen bij hun ministers van Financiën.

In Brusselse kringen ontwaren sommigen in deze ontwikkeling een machtsconcentratie van de nationale staten ten opzichte van de Europese instellingen. Dit is een ietwat simplistische voorstelling van zaken.

Het toegenomen gewicht van de regeringsleiders in gemeenschappelijke kwesties is vooral een teken dat Europa, via de munt, daadwerkelijk in het hart van de nationale politiek terecht is gekomen. Voor diverse regeringen is hun voortbestaan ervan afhankelijk. Wie anders dan de Griekse premier had in zijn eigen land de bezuinigingsmaatregelen moeten verdedigen? Wie anders dan de Duitse kanselier zou de Bondsdag en haar publieke opinie hebben moeten overtuigen landen in moeilijkheden te hulp te schieten?

Als de grondslagen van de munt, de toekomst van de nationale economie of immense garantiebedragen op het spel staan, spreekt het vanzelf dat de verantwoordelijkheid wordt genomen door een regeringsleider. Deze bespreekt de zaak en maakt er afspraken over met zijn of haar Europese collega’s. In plaats van deze betrokkenheid van nationale leiders te betreuren, als een afdwaling van het ware Europese ‘geloof’, is het beter ze op te vatten als een volgende stap in wat door de loop der dingen inmiddels een gezamenlijk avontuur is geworden.

3De humeurige betrokkenheid van het publiek. De uitkomst van de crisis wordt uiteindelijk bepaald door het politieke vermogen om de publieke opinie te overtuigen. Al zestig jaar wordt geprobeerd belangstelling voor Europa te wekken bij de mensen – vlag, volkslied, rechtstreekse verkiezing van het parlement, subsidies, vrij verkeer en andere voordelen. De meeste van deze pogingen hebben slechts geleid tot onverschilligheid of zelfs tot verveeldheid, soms tot verontwaardiging en uiterst zelden tot dankbaarheid of engagement.

De eurocrisis verergert de spanningen tussen landen, vooral die tussen betalende en ontvangende landen, zodat de nobele inspanningen om ‘Europeanen’ te maken worden ondermijnd. Daarnaast zijn we beland in een volkomen nieuwe en verrassende situatie.

Nog nooit sinds 1945 waren de bevolkingen in de diverse landen zich er zozeer van bewust dat ze een gemeenschappelijke lotsbestemming hebben. Iedereen in de eurozone weet dat Griekse fraude, Ierse luchtbellen of Italiaanse schulden schadelijk kunnen zijn voor zijn of haar baan, pensioen of spaargeld.

Het is economische interdependentie, maar ook politieke interdependentie. Zo stond in het najaar van 2011 een stemming in het Slowaakse parlement over de euro in heel Europa op de voorpagina’s van kranten, zoals eerder de voorwaarden van een coalitieakkoord in Finland, een regionale stembusuitslag in Duitsland en later de aankondiging van een referendum in Griekenland. De publieke Europese zaak bestaat, maar komt vooral tot uitdrukking via nationale debatten. Kunnen we misschien degenen die dergelijke ontwikkelingen zien als een ‘renationalisering van de Europese politiek’ – een verschrikking die deze verheven geesten doet denken aan de jaren dertig – ertoe brengen om Europa heel even niet uitsluitend te zien als ‘Brussel’, maar als een geheel van lidstaten? De door hen betreurde ontwikkeling zouden we moeten zien als een juist toejuichenswaardige ‘Europeïsering van de nationale politiek’.

Politiek filosoof Luuk van Middelaar is sinds 2010 werkzaam als speechschrijver van voorzitter Herman Van Rompuy van de Europese Raad. Dit is een vertaling van het geactualiseerde voorwoord tot zijn volgende maand verschijnende Le passage à l'Europe (Gallimard, Bibliothèque des Idées; oorspronkelijk De passage naar Europa, Historische Uitgeverij, 2009). Vorige maand verscheen Van Middelaars debuut, Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie, in herziene herdruk.