Continent versus eiland

De euro kan weer voort na de Europese top van de 27 regeringsleiders van de afgelopen twee dagen in Brussel. Maar geldt dat ook voor de Europese Unie? Het Verenigd Koninkrijk verzette zich fel tegen het Duits/Franse plan om een betere verankering van steviger begrotingsregels in de eurozone door te voeren.

Zo fel, dat de tandem van bondskanselier Merkel en president Sarkozy het als een veto opvatte en er uiteindelijk voor koos om deze veranderingen dan maar in de vorm van een aparte overeenkomst te gieten. Die wordt gesloten door de 17 eurolanden. Andere lidstaten van de EU, zoals Polen, kunnen zich aansluiten. Of ze doen dat niet, zoals Groot-Brittannië.

Zo is nu een kleinere monetaire EU-binnen-de-EU ontstaan. De Britse premier Cameron lijkt zich danig te hebben verkeken op zijn veronderstelde medestanders. Uiteindelijk gingen 26 van de 27 EU-landen overstag. Dat is iedereen, minus Londen.

Dit isolement kan niet de bedoeling van de Britten zijn geweest. Hun tactiek lijkt in zijn gezicht te zijn ontploft. Cameron blufte. Merkel zei ‘kom maar op’. En nu moet de Britse premier, die door de eurosceptici binnen zijn partij wordt bejubeld, aan zijn coalitiepartner Clegg bij de Liberaal-Democraten uitleggen waarom het, qua inwonertal, derde land van de EU nu op het schellinkje zit.

Of de Duits-Franse aanpak zal slagen is overigens ook nog de vraag. In maart moeten het fundament voor de nieuwe overeenkomst er staan. Maar in de tussentijd blijven de financiële markten actief en riskant. De reactie van gisteren, waarin de koersen van staatsleningen en aandelen eerst daalden om vervolgens weer op te krabbelen, getuigde vooralsnog van een even grote verwarring als er in de Europese politiek lijkt te heersen. Ook na deze eurotop zal de mist eerst moeten optrekken voordat de gevolgen van de besluitvorming in Brussel zich duidelijker aftekenen.

Het besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) donderdag om de rente met een kwart procentpunt te verlagen en banken voor drie jaar te voorzien van onbeperkte liquiditeit, moet intussen vooral tactisch worden bezien. ECB-topman Draghi doet wat nodig is om de stabiliteit van de banksector te bewaren, maar houdt zich verre van grootscheepse monetaire steun aan de wankelende eurolanden. Zo blijft de druk om te veranderen op de ketel.

Als ware het Oosterse vechtsport gebruikt de ECB, met op de achtergrond Duitsland, de kracht van de tegenstander, de markt, in haar eigen voordeel. Zo beschouwd is die strategie al enige tijd in zwang. Maar de steeds grotere schade, die dit met zich meebrengt voor de Europese en de wereldeconomie, toont dat deze aanpak niet zonder gevaar is.

Dit betekent dat er rond de euro ook nu onzekerheid zal blijven bestaan, op zijn minst tot maart 2012. Het is immers niet zeker of de voorgestelde veranderingen kunnen worden doorgevoerd zonder dat parlementen, of zelfs de kiezers van de afzonderlijke eurolanden zich daarover uitspreken.

Dat geldt ook voor Nederland, waar premier Rutte gisteren een eerste poging deed om de Brusselse voornemens als zodanig bescheiden te schetsen dat zij zonder al te veel poespas kunnen worden doorgevoerd. Maar een wettelijk vastgelegd begrotingstekort van ten hoogste 0,5 procent én inzage vooraf in de begrotingsplannen door de Europese Commissie zijn niet niets. Ze duiden op een soevereiniteitsoverdracht die in Den Haag zo gevoelig ligt.

Toch is deze EU-top er ook een van goed nieuws. Het noodzakelijk trage proces van de Europese politieke besluitvorming en het al even noodzakelijk rappe proces op de financiële markten botsen nu al twee jaar. Alleen een grote politieke sprong voorwaarts kan de twee synchroon laten lopen. Misschien is die sprong dan toch gemaakt. Het zou de democratische legitimiteit ten goede komen.

Maar de prijs, in de vorm van een Britse Alleingang die nou net Nederland traditioneel wilde voorkomen, is hoog. Als de diagnose is ‘euro gered, EU overleden’, zou dat wel erg onfortuinlijk zijn.