Alaïa is een beeldhouwer in de mode

Het Groninger Museum wijdt voor de tweede keer een tentoonstelling aan Azzedine Alaïa.

Weinig modeontwerpers zijn zo eigenzinnig als Azzedine Alaïa. Niet zozeer door de kleren die hij maakt. Die zijn sexy en supervrouwelijk, maar niet ordinair; het soort mode waar veel vrouwen zichzelf en veel mannen een vrouw graag in zien. Ze zijn niks te vooruitstrevend voor, bijvoorbeeld, presidentsvrouwen. Michelle Obama wordt geregeld gesignaleerd in Alaïa. Door de jaren heen is zijn silhouet bovendien nauwelijks veranderd. Jurken met strakke lijfjes en vaak wijd uitlopende rokken, de taille benadrukt door een brede riem, aan de voeten hoge pumps met zeer hoge hakken of verfijnde flatjes.

De eigenzinnigheid van Alaïa zit vooral in zijn manier van werken. De 71-jarige ontwerper doet niks waar hij niet helemaal achter staat. Dat hij tegenwoordig twee keer per jaar met een prêt-à-portercollectie en een haute-couturecollectie komt, is al een hele concessie – al showt hij die helemaal al het eind van de Parijse modeweken, als het grootste gedeelte van de modepers al weer naar huis is. Voor hij zich lieerde aan achtereenvolgens Prada en de Richemont-groep, kwam hij pas met een collectie naar buiten als hij vond dat die af was. Of dat moment nou samenviel met een nieuw modeseizoen of niet.

Die koppigheid is er waarschijnlijk de oorzaak van dat er nauwelijks tentoonstellingen aan Alaïa zijn gewijd, zegt Mark Wilson, hoofdconservator van het Groninger Museum. „Als het niet precies loopt zoals hij het wil, trekt hij zich terug.”

Het museum kwam in 1997 met de eerste expositie, die in 2000 een reprise kreeg in New York. „Vervolgens heb ik tien jaar gewacht tot iemand anders het zou oppakken, en dat gebeurde niet. Maar ik heb deze tentoonstelling alleen kunnen maken omdat we vrienden zijn geworden.”

De opzet van Alaïa in de 21ste eeuw, dat alleen ontwerpen van de afgelopen elf jaar laat zien, is bijna identiek aan die van de eerste expositie. Kleding op door Alaïa zelf ontwikkelde poppen, die eigenlijk geen poppen zijn, maar transparante kunststof lijfjes zonder hoofd, hals en ledematen. Ze staan op een dunne metalen paal en maken dat de kledingstukken in de ruimte lijken te zweven.

De enige verschillen met de vorige expositie zijn dat de jurken dit keer niet vergezeld worden door beeldende kunst (in 1997 hingen er werken van Basquiat en Warhol), en dat de indeling niet per collectie is, maar per materiaal.

Er is onder meer een zaal met kledingstukken van fluweel, één met jasjes van zwarte wol, één met zwart leer en één met witte katoen. Er is een afdeling dierenprints en exotische huiden en, uiteraard, een zaal vol tricot, het materiaal waar Alaïa het beroemdst om is. In de jaren tachtig ontwikkelde hij zelf een luxe, stevige tricotstof, die hem in staat stelde rekbare kleren te maken die toch een eigen vorm behielden. Het maakte hem tot een van de grote vernieuwers van die tijd.

Bij alle kledingstukken wordt in Groningen vermeld uit welke collectie ze komen. En dat is het. Geen informatie over materialen of de carrière van Alaïa, geen schoenen, geen filmpjes van shows, geen foto’s: Alaïa in de 21ste eeuw heeft niks van de multimediale spektakels die modetentoonstellingen tegenwoordig vaak zijn.

Niet alleen omdat Alaïa dat zo wilde, zegt Wilson. Ook omdat hij de ontwerper, die nooit een modeopleiding volgde maar op de kunstacademie van Tunis voor beeldhouwen koos, bijna als een beeldhouwer beschouwt. „Bij een beeldententoonstelling zie je ook alleen de werken.”

Maar meer nog dan een beeldhouwer is Alaïa, wiens kleren inderdaad zeer sculpturaal zijn, een bijzondere couturier. Als een van de weinige grote ontwerpers van nu ontwerpt Alaïa alles nog helemaal zelf. Hij heeft in de loop van de jaren - voor Alaïa eind jaren zeventig voor zichzelf begon werkte hij voor Guy Laroche en Yves Saint Laurent - een ongelooflijk vakmanschap ontwikkeld.

Omdat de kledingstukken niet achter glas staan, en omdat je er makkelijk omheen kunt lopen, is het mogelijk ze van heel dichtbij te bestuderen: de bijzondere, verfijnde, driedimensionale tricots, een wit katoenen jurkje dat dankzij horizontale naden en opengewerkt band een bolle vorm krijgt, de verfijnde, stoere stiksels in een jas van slangenleer, de perfecte bolle plooien in een zwarte leren rok.

Wie de vorige Alaïa-tentoonstelling in Groningen heeft gezien, en betwijfelt of zijn recente collecties deze tweede rechtvaardigen, doet er goed aan de catalogus te bekijken, waarin ook foto’s van de eerste expositie staan (en een interview met en een beschouwing over de ontwerper). Inderdaad, ook toen waren er leer, tricot en dierdessins. Maar de oudere ontwerpen steken bijna grof af bij het werk van nu.

Speciaal voor de tentoonstelling paste Alaïa alle 64 getoonde ontwerpen aan op de maten van de paspoppen, die nog net een fractie smaller zijn dan het gemiddelde model. Ook maakte hij de lange jurken een paar decimeter langer, en liet hij de andere kledingstukken hoger plaatsen.

De schouderlijn van de meeste kledingstukken ligt op 1 meter 80, waardoor de denkbeeldige vrouwen die ze dragen boven de 2 meter uitkomen. De ingreep geeft een onverwacht kijkje in het leven van Alaïa. Voor een man die maar anderhalve meter lang is, zijn bijna alle vrouwen immers reuzinnen.

Azzedine Alaïa in de 21ste eeuw. Van 11 december t/m 6 mei 2012. Inl: groningermuseum.nl, nrc.nl/mode ****