Vergeet honger, het probleem is obesitas

Obesitas is de grote toekomstige ‘killer’ in ontwikkelingslanden.

Nederland moet strenge gezondheidseisen stellen aan de voedselindustrie.

Het kabinet heeft van voedselzekerheid in ontwikkelingslanden een speerpunt gemaakt. Dat is begrijpelijk, maar niet logisch. De grote toekomstige ‘killer’ in ontwikkelingslanden is namelijk obesitas en niet honger. Zodra ontwikkelingslanden zich enigszins ontwikkelen, penetreren westerse voedselbedrijven deze landen met fastfood en ongezonde, bewerkte supermarktproducten. Dezelfde bedrijven die in Nederland gezonde en duurzame producten op de markt brengen, verkopen ongezonde en niet-duurzame producten in ontwikkelingslanden.

Als je de obesitaskaart van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO en de hongerkaart van de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie FAO over elkaar heen legt, kom je tot schrikbarende conclusies. Overal waar honger een beetje uit de mode raakt, stijgt obesitas naar Amerikaanse en Britse niveaus. Zo hebben Kameroen en Brazilië al een obesitasprobleem gelijk aan Nederland, ligt het obesitaspercentage in Egypte en Uruguay op het niveau van Groot-Brittannië en is Argentinië aardig op weg om de Verenigde Staten in te halen (zie kader).

Het dodenaantal van de wereldwijde obesitasepidemie, globesity genoemd, overtreft nu al dat van het aantal ondervoede mensen. De WHO spreekt stelt dat lage- en middeninkomenslanden getroffen worden door een ‘dubbele last’: terwijl de problemen met infectieziekten en ondervoeding blijven bestaan, is er sprake van een razendsnelle opkomst van ziektes gerelateerd aan overgewicht. Het is niet ongewoon dat ondervoeding en obesitas naast elkaar voorkomen in hetzelfde land, dezelfde gemeenschap en zelfs hetzelfde huishouden.

Het obesitasprobleem wordt zeker niet alleen door westerse voedselbedrijven veroorzaakt. Zo hebben veel ontwikkelingslanden vanuit hun cultuur al een ongezond voedselpatroon; denk bijvoorbeeld aan de vele suikers in Arabische landen. Maar in veel ontwikkelingslanden is de westerse cultuur nog steeds het walhalla. De aanschaf van een Big Mac is het ultieme bewijs dat je erbij hoort. Zo staan in alle landen waar McDonalds zijn eerste vestiging opent, de mensen al uren voordat de deuren opengaan in de rij.

Westerse voedselbedrijven, die vaak een dominante positie op lokale markten hebben, kunnen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van opkomende landen door in deze landen gezond en duurzaam voedsel aan te bieden. In plaats daarvan verergeren ze veelal het probleem door juist fastfood en ongezonde supermarktproducten naar deze landen te exporteren of lokaal te laten produceren. Op hun beurt imiteren lokale bedrijven deze westerse producten. Daardoor exporteren we niet alleen ongezonde producten, maar ook een ongezonde voedselcultuur.

In Nederland is het aanbod van gezonde en duurzame producten de laatste jaren sterk gestegen. De grotere vraag van consument en de druk en hulp van de vele maatschappelijke organisaties heeft effect. In ontwikkelingslanden hebben de overheid en lokale maatschappelijke organisaties echter andere prioriteiten dan gezond voedsel. Wel is er steeds meer aandacht voor voedselveiligheid, maar dat maakt voedsel nog niet gezond. Dat is ook niet zo gek: voedselvergiftiging bedreigt burgers direct, terwijl ongezond voedsel pas na jaren sterfte en hoge ziektekosten veroorzaakt. En niet-duurzaam voedsel, zoals voedsel waarbij tijdens de productie het milieu wordt vervuild, levert ook vaak pas na jaren problemen op, waardoor het niet de hoogste prioriteit heeft bij overheden in ontwikkelingslanden.

Door die onachtzaamheid stevenen ontwikkelingslanden af op een ongekend groot probleem. Nu al leven zo’n 35 miljoen kinderen in ontwikkelingslanden met overgewicht, tegenover 8 miljoen in het Westen.

De Nederlandse overheid kan eenvoudig bijdragen aan het voorkomen van dit probleem. Ten eerste door het te benoemen, te erkennen en bespreekbaar te maken. Er is namelijk momenteel nauwelijks debat over dit onderwerp. Daarnaast kan Nederland bijdragen aan het voorkomen van een mondiale obesitasepidemie door gezondheidseisen te stellen aan voedsel dat door Nederlandse bedrijven wordt geproduceerd. Het kabinet heeft het voornemen om het bedrijfsleven intensief te betrekken bij ontwikkelingssamenwerking. Dat biedt kansen. Aan de subsidies die de overheid verstrekt aan het bedrijfsleven dat actief is in ontwikkelingslanden zijn voorwaarden verbonden in het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Deze voorwaarden beperken zich nu nog tot internationale arbeidsrechten en milieunormen, maar zouden moeten worden uitgebreid met gezondheidseisen.

Aangezien de grote, dominante voedselbedrijven veelal centraal voedselproducten ontwikkelen voor verkoop over de gehele wereld (de BigMac, het Magnum-ijsje etcetera), wordt ons eigen voedsel ook gezonder als de overheid extra eisen stelt bij de subsidieverstrekking aan Nederlandse bedrijven. En dat past goed bij het nieuwe adagium van deze regering: dat bij elke cent voor ontwikkelingssamenwerking ook Nederland zelf moet profiteren.

Frank van der Linde is specialist duurzaam voedsel en oud-directeur van Fairfood International. Daarvoor was hij werkzaam voor Amnesty International en Fair Trade Original.

Frank van der Linde heeft onlangs een Facebookgroep opgericht om met gelijkgestemden in contact te komen. De site (facebook.com/globesity) groeit met 700 fans per dag.