Van boven gezien

Tien over zeven, de wekker gaat, dat wil zeggen de wekradio. Ik lig in het stikdonker van het Groningse platteland te luisteren naar Lorraine Hunt die een aria van Händel zingt. Als ik opsta en probeer buiten iets te zien, wil dat niet erg lukken. Stilte en duisternis. Ik lijk wel een van de zeer weinige mensen op de wereld, samen met die fietser van wie ik daar in de verte de lamp langs het Boterdiep zie gaan.

Ik doe het licht aan en ga naar de badkamer.

Net als een paar miljoen andere mensen op dit moment doen.

Tussen 6 en 9 uur, leerde ik van de eerste uitzending van Nederland van Boven, gebruiken we 400 miljoen liter water. De mensen van Vodafone zien hoe overal in het land de netwerken bereikt worden door de mobiele telefoons die meteen aangaan. De elektriciteitsvraag neemt spectaculair toe.

Hoezo alleen op de wereld met die fietser?

Het is een wonderlijk idee, al ligt het nogal voor de hand, dat wat je als persoonlijke gewoonten beschouwt, min of meer dezelfde persoonlijke gewoonten betreffen als die van zestien miljoen anderen.

Iedereen kijkt wel eens naar een mierenhoop, denkt dan plichtmatig aan het menselijk gedoe en probeert eens een poosje een enkele mier te volgen, wat nooit zo heel lang lukt. Waarom zou je ook, de ene mier of de andere. Je kijkt en voelt je God – wat zou je niet kunnen aanrichten daar in die hoop (en wat heb je vaak al aangericht als je op zo’n mierenhoop stuit), wat zou je niet kunnen betekenen voor de enkele mier die je nu, met een stokje, even over een moeilijke passage zet of die je, goedertieren, van wat suikerkorreltjes voorziet.

Dankzij onze verbeelding – en dankzij het handje dat die verbeelding geholpen is door de VPRO met haar luchtvisie op Nederland – kunnen we zowel de mier als God zijn. De mier als je wakker wordt als enige op de hele wereld. God als je op de televisie, of in gedachten, heel Nederland ziet opgloeien in het ochtendlijke donker, al die auto’s hoort starten en wegrijden en al die kantoordeuren open ziet gaan om al die mensen binnen te laten die daar allemaal hun hoogst belangrijke taak gaan verrichten.

God ziet mij zitten, hier, achter mijn computer en mijn gedachten intikken op een toetsenbord.

Welnee joh. Je bent hier alleen, je denkt wat je denkt, als enige bewoner van je eigen hoofd.

Dat is ook waar. Al ziet God, in de gedaante van het waterbedrijf, het telefoonbedrijf, het electriciteitsbedrijf, de snelwegbewaking enzovoorts, ons nog zo allemaal met hetzelfde bezig, zodra de camera weer wat zakt en inzoomt, wordt het ene leven weer heel anders dan het andere. Als ooit het belang van details zichtbaar wordt gemaakt, dan is het juist wel als je ze even allemaal weglaat. Iedereen tegelijk zien geeft overzicht, maar veroorzaakt ook een angstaanjagende betekenisloosheid. Wat doet het ertoe of dat ene autootje daar botst op dat andere autootje, of in dat ene huisje geen licht aangaat, of er één, twee of vier wezentjes uit zo’n voordeur komen of de hele dag niemand? Alles wordt onverschillig.

Niemand is alleen denk je, ziende hoe iedereen onderdeel is van dit enorme geheel, maar tegelijkertijd is iedereen, van dichtbij, vanuit het eigen hoofd, volkomen alleen. Niemand anders woont daar. Iedereen denkt alleen zijn eigen gedachten. Rutger Kopland schreef eens, over het verlangen naar een sigaret: „niemand begrijpt dit verlangen, behalve ik.” Welnee, dacht ik toen ik het las, een heleboel mensen begrijpen dat verlangen hoor. Maar dat is niet waar. Elk diep verlangen, elk diep gevoel, ken je alleen maar zelf. Je kunt er wel over praten, en dan lijkt het net of je dingen zegt die een ander ook kan begrijpen, maar het is zoals we vroeger bij taalfilosofie al leerden: spreker S spreekt boodschap B uit en hoorder H ontvangt boodschap B’. B en B’ lijken wel op elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde.

Onze kijk op onszelf en de wereld lijkt vaak verrassend veel op wat Nederland van Boven liet zien. Steeds weer laat je de innerlijke camera afstand nemen van anderen en van jezelf. Eerst tot daar waar je nog wel herkenbaar bent maar ook al wel erg op de anderen lijkt. Daar begrijpen we elkaar precies. Als je verder uitzoomt, doet ons gepraat er niet meer toe, en ook het lot van de buurman niet. Daar moeten andere belangen heersen, regelingen, wetten en voorzieningen die over alle mensen gaan en die ervoor zorgen dat we, bijvoorbeeld, allemaal tegelijk kunnen gaan douchen. En laat je de camera in close-up gaan, dan zie je eerst de wereld van dichtbij, zoals je hem kent, zoals je hem meent te delen met wie je na staan, en daarna, nog dichterbij, zoals je hem alleen zelf kent. Ik word wakker. Ik alleen.