Twee geestverwanten die elkaar nooit ontmoetten

De Parelduiker, 2011 nr. 5. Bas Lubberhuizen. € 9,50

Vaak heb ik me afgevraagd wat Menno ter Braak en Kurt Tucholsky van elkaar vonden. In de jaren dertig waren zij,Ter Braak in Nederland, Tucholsky in Duitsland, kritische publicisten die veracht werden door populistische cultuurbarbaren. Beiden figureerden prominent op de door extreem-rechts publiek gemaakte lijsten van personen die de mond moest worden gesnoerd. ‘Weet dit: het heeft de langsten tijd geduurd / dan komen wij – wij durven jullie haten’, aldus een gedicht in het NSB-blad Volk en vaderland over met name genoemde leden van het Comité van waakzaamheid tegen het fascisme, onder wie Ter Braak.

Omdat in het Literaturhaus in Berlijn sinds kort twee schilderijen van Tucholsky en Ter Braak hangen, gemaakt door de Duitse schilder El Bocho, buigt Ter Braak-biograaf Léon Hanssen zich in De Parelduiker over de vraag hoe deze mannen zich tot elkaar verhielden.

Ontmoet hebben ze elkaar nooit, maar ze waren op de hoogte van elkaars bestaan. Nadat Tucholsky in 1935 als balling in Zweden zelfmoord had gepleegd, plaatste Het Vaderland, het dagblad waarvan Ter Braak redacteur was, een in memoriam. Het bericht dat vrijwel zeker van Ter Braaks hand was, vermeldt dat Tucholsky door zijn kritische publicaties ‘een van de meest gehate personen op de zwarte lijst van de nationaalsocialisten is geworden’. ‘Hij leefde sedert 1933 in de emigratie […] verbitterd en moedeloos door de verwerkelijking van alles, waarvoor hij in zijn boeken met scherpen spot had gewaarschuwd.’ Hanssen ziet in deze regels een voorafschaduwing van het lot van Ter Braak, die na de Nederlandse capitulatie eveneens de hand aan zichzelf sloeg.

Wat Ter Braak nooit heeft geweten is dat Tucholsky zich kort voor zijn dood zeer lovend over zijn Nederlandse geestverwant heeft uitgelaten. Ter Braak had iets gedaan wat hij zelf niet durfde, namelijk de uit nazi-Duitsland gevluchte schrijvers oproepen zich van hun ‘Europese taak’ bewust te worden en de confrontatie aan te gaan met de nieuwe werkelijkheid van concentratiekampen, ballingschap en verlies van burgerrechten. Tot nog toe waren zij, volgens Ter Braak, alleen maar doorgegaan waarmee ze in de republiek van Weimar al braaf bezig waren: het produceren van zelfgenoegzame literatorenliteratuur.

In Berlijn hangen de twee grote geesten nu tegenover elkaar, alsof het debat dat ze nooit hebben gevoerd gewoon doorgaat. Bij het artikel van Hanssen zijn de twee megaportretten afgedrukt: ze kijken ons aan alsof ze hun geestverwanten van nu een hart onder de riem willen steken.

    • Elsbeth Etty