Toeval

Met namen kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Voor een bepaalde cartoon had ik een beetje deftige naam nodig. Ik herinnerde mij dat mijn broer ooit had paard gereden met een meisje dat Noortje van Lamsweerde heette. In de tekening zegt de ene vrouw tegen de ander: „Nee, maar...Ben jij een Van Lamsweerde?” Direct daarop kreeg ik een mevrouw Van Lamsweerde aan de telefoon. „Hoe komt u aan mijn naam?” Ik legde het haar uit, maar ze nam er geen genoegen mee en dreigde met maatregelen. Ze was boos.

En dan was daar Agnes, de roodharige heldin van het gelijknamige feuilleton dat ik een tijdlang in Vrij Nederland publiceerde. Die moest op een zeker moment een achternaam hebben. Zwaneveld, bedacht ik, Agnes Zwaneveld ging ze heten.

Opnieuw telefoon. „Met Agnes Zwaneveld. Hoe komt u aan mijn naam?” „Heet u echt zo?” „Jazeker.” „En heeft u toevallig ook nog rood haar?” „Ja”, antwoordde ze, een beetje bevreemd. „Dan heb ik u verzonnen!”, riep ik olijk. Maar ze kon er niet om lachen.

Erger was het toen ik een cartoon tekende van een jongen, die achter een meisje staande haar borsten onder haar truitje stevig vastgrijpt. Het meisje zegt: „Joris Broekhoven, als je denkt dat je lollig bent, heb je het heel erg mis.” Wat bleek? Ergens in Nederland woonde een jongeman met precies die naam, die er bovendien om bekend stond dat hij het gedrag vertoonde dat ik in die cartoon had verbeeld. Hij werd danig gepest op zijn school met die cartoon. Zijn ouders lieten mij verontwaardigd weten dat dit geen pas gaf. Zijn werkelijke naam was anders, deze heb ik opnieuw verzonnen, maar die zal ik hier niet onthullen, de jongen en ook zijn ouders hebben het al moeilijk genoeg gehad.

Zo blijkt dat als je het toeval in je werk een rol laat spelen, dat een zeker risico met zich meebrengt.

    • Peter van Straaten