Roosevelt wist het al lang

Jan Karski: Mijn bericht aan de wereld. Geheime koerier, verzetsstrijder en eerste getuige van de Holocaust. Vertaald door Olaf Brenninkmeijer. Nawoord van Céline Gervais-Francelle. Cossee, 494 blz. €29,90

Grijstinten zijn in de herinneringen van de Poolse verzetsstrijder Jan Karski (1914-2000) niet te vinden. Mijn bericht aan de wereld vestigt dwingend de aandacht op de politieke hoofdzaak van WO II: de poging van de Germaanse elite in Berlijn om Europa militair te onderwerpen en het Europese jodendom fysiek te elimineren. Het ging om leven en dood en in die zin om wit en zwart. De ervaringen van Jan Karski vloeiden rechtstreeks voort uit deze extreme essentie. Als verbindingsman van het Poolse verzet reisde hij eind 1942 dwars door de vijandelijke linies naar Londen om te rapporteren dat de Duitse bezettingsmacht in zijn land de joodse minderheid systematisch uitroeide. Karski deed verslag van wat hij met eigen ogen had gezien in het getto van Warschau en in het vernietigingskamp Belzec.

In juli 1943 reisde hij door naar Washington om te worden ontvangen in het Witte Huis. Nadat hij zijn rapportage aan Roosevelt had beëindigd met de oproep de joden in zijn land te helpen, zei de president: ‘Vertel uw landgenoten dat we de oorlog zullen winnen’. Karski schreef op uitnodiging van een Amerikaanse uitgever een boek over zijn ervaringen. Toen Story of a Secret State in 1944 verscheen, werden bijna 400.000 exemplaren verkocht. Van dit werk is nu een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Bericht aan de wereld.

Karski’s oproep aan Roosevelt had niet het gewenste resultaat. De geallieerden kwamen niet in actie om een einde te maken aan de massamoord op de joden. Wat Karski niet wist, was dat de Britse en Amerikaanse regering al langere tijd berichten ontvingen over wat later de Holocaust is gaan heten. De Amerikaanse historicus Richard Breitman heeft in zijn Official Secrets: What the Nazis Planned, What the British and Americans Knew (1996) duidelijk gemaakt dat Londen dankzij het kraken van Duitse codes al snel op de hoogte was van de massa-executies die Einsatzgruppen achter het front uitvoerden nadat Duitsland in juni 1941 de Sovjet-Unie was binnengevallen. Nog voordat de gaskamers werden ingesteld, verloor al een miljoen joden het leven. Toch ondernamen de geallieerden ook in 1943 nog niet de actie waarvoor Karski namens de joodse leiders in het getto van Warschau had gepleit. Waarom werden bijvoorbeeld de aanvoerlijnen naar de vernietigingskampen niet gebombardeerd? Het antwoord, zo weten we inmiddels, lag opgesloten in de vage reactie die Roosevelt aan Karski gaf. De eisen van de oorlogvoering hadden absolute prioriteit. Een overwinning op Hitler was volgens Londen en Washington de beste manier om een einde te maken aan de Duitse misdaden.

Ook wist Roosevelt dat een militaire interventie om de joden in de vernietigingskampen te redden moeilijk uit te voeren was. Deze inspanning zou afdoen aan de middelen die nodig waren om in Europa een tweede front te openen. Een militaire operatie die specifiek op hulp aan joden was gericht zou weerstand wekken bij bondgenoot Stalin, die aandrong op dit front, én bij het Amerikaanse electoraat.

Ook bleven in de Britse en Amerikaanse hoofdstad twijfels bestaan of de berichten over een massale uitroeiing geloofwaardig waren. Kennis hebben is nog iets anders dan kennis laten doordringen. Een misdaad op die schaal was nog niet eerder vertoond. Men kon zich eenvoudig niet voorstellen dat het zo erg was. Het kwam ook niet slecht uit, gezien de zware oorlogstaak die nog in het verschiet lag, om de berichten als overdreven te beschouwen.

De titel Mijn bericht aan de wereld verwijst naar Karski’s missie om het joodse leed aan de wereld te openbaren. Maar zijn boek gaat over veel meer. Het beschrijft zijn ervaringen sinds Polen in september 1939 door Duitsland en de Sovjet-Unie werd overvallen. De in Lodz geboren Jan Kozielewski, zoals zijn ware naam luidde, was als reserveofficier gemobiliseerd. Zijn militaire eenheid werd overrompeld door het Rode Leger, dat als uitvloeisel van het pact tussen Hitler en Stalin Oost-Polen bezette.

Karski werd als krijgsgevangene afgevoerd naar de Sovjet-Unie. Hij wist te ontsnappen, keerde terug naar Polen en sloot zich aan bij het verzet. Nadat hij in handen van de Gestapo was gevallen deed hij een zelfmoordpoging. Hij sneed zijn polsen door, kwam in het ziekenhuis terecht en werd door zijn kameraden bevrijd. Dit verhaal van dramatiek en heroïek wordt door Karski verteld in een serene en voorname stijl. Die ingehouden toon maakt zijn relaas des te indringender. Ook bijna 70 jaar nadat hij zijn boek schreef, sleept het de lezer mee door gebeurtenissen die even enerverend als ontstellend zijn.

Karski gaat uitvoerig in op de rol van het verzet, dat de ambitie had de Duitse poging te dwarsbomen om de Poolse natie te vernietigen. De inwoners van Polen werden als minderwaardige wezens (Untermenschen) behandeld, voorbestemd om gedeporteerd te worden of slavenarbeid voor de nazi’s te verrichten. Al in de eerste twee maanden van de bezetting werd bijna een half miljoen Polen verjaagd uit het westerse deel van Polen. Het verzet richtte een ondergrondse staat op die het voortbestaan van de Poolse natie moest veiligstellen. De Gestapo maakte veel slachtoffers bij de jacht op deze omvangrijke illegaliteit.

Nadat Karski in 1943 naar de VS was gereisd, keerde hij niet meer terug naar zijn land. Aan het einde van de oorlog raakte hij gedesillusioneerd over de vele verklaringen van westerse regeringsfunctionarissen dat men de omvang van de misdaad tegen de Europese joden niet had gekend. Karski keerde zich af van zijn herinneringen en schreef niets meer over de oorlog. Hij promoveerde en werd hoogleraar Oost-Europa-kunde aan Georgetown University. Bill Clinton behoorde tot zijn studenten.

In haar informatieve nawoord bij Mijn bericht aan de wereld vertelt de Franse historica Céline Gervais-Francelle hoe Karski in 1985 zijn comeback maakte als getuige van de Tweede Wereldoorlog. Claude Lanzmann haalde hem over tot een optreden in de film Shoah. De publieke belangstelling voor zijn persoonlijke geschiedenis nam nog toe nadat in 1989 het communistische regime in Polen was gevallen. Er verscheen een biografie van Karski, nadat hij als anti-communist ruim veertig jaar in zijn geboorteland persona non grata was geweest. In 1999 kwam een Poolse vertaling uit van zijn inmiddels meer dan vijftig jaar oude memoires. Franse en Duitse edities volgden en nu is dus ook een Nederlandse vertaling van het Engelstalige origineel verschenen (annotatie en nawoord zijn uit de Duitse editie overgenomen). Deze uitgave van een belangrijk historisch document is meer dan welkom.

Dat kan niet gezegd worden van Het zwijgen van Jan Karski. De Franse auteur Yannick Haenel (1967) noemt zijn boek een roman, maar in feite gaat het om een rommeltje. Het eerste deel geeft een verslag van Karski’s optreden in Shoah, vervolgens vat Haenel de herinneringen van Karski samen. Pas in het laatste gedeelte komt de romanschrijver aan het woord om zijn fantasie de vrije loop te laten. Het erbarmelijke resultaat is totaal in strijd met de geest van Karski. Op larmoyante toon spreekt de Poolse verzetsman via Haenels pen een aanklacht uit tegen de geallieerden. Het Britse Foreign Office en het Amerikaanse State Department zouden, verenigd in een antisemitische samenzwering, elke actie hebben geblokkeerd die de massamoord op de joden had kunnen stoppen. De auteur laat zich in dit respectloze boekje meeslepen door sensatiezucht.

Yannick Haenel: Het zwijgen van Jan Karski. Vert. Arthur Wevers. Meulenhoff, 205 blz. €19,95

    • Ronald Havenaar