Olie genoeg, maar Shell moet wachten

Shell staat te popelen om naar olie te boren voor de kust van Alaska en investeerde al 3 miljard euro. Maar de vergunningen laten op zich wachten. Milieuorganisaties vrezen een nieuwe olieramp.

This is an undated company photo of the North Slope of Alaska which is a major focus of Anadarko Petroleum Corp.'s frontier exploration efforts, targeting both oil and natural gas reserves. Source: Anadarko Petroleum Corp./ via Bloomberg News. via Bloomberg News

De tijd dringt voor Shell in het Noordpoolgebied. Al jaren wil het energieconcern proefboringen uitvoeren voor de kust van Alaska – een onherbergzame regio die volgens schattingen een kwart van de olie- en gasreserves van het poolgebied bevat. Binnenkort moet blijken of Shell in de zomer van 2012 als eerste kan beginnen met boren in het moeilijk toegankelijke gebied voor de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent.

Bijna 4 miljard dollar (ongeveer 3 miljard euro) heeft Shell in de afgelopen zes jaar geïnvesteerd in rechten en plannen om oliebronnen te zoeken in de Beaufortzee en de Chukchizee, in het Amerikaanse deel van de Arctische regio. Maar nog steeds mist het bedrijf, dat de olie-exploratie voor de kust van Alaska aanvoert, de complete reeks vergunningen om aan de slag te kunnen in het kwetsbare milieu van het poolgebied.

Shell wil volgend jaar twee oliebronnen aanboren in de Beaufortzee en drie in de Chukchizee, tijdens het ijsvrije seizoen van juli tot oktober. Dit jaar moest het concern die plannen afblazen; nu staat het op het punt te beslissen of het logistieke voorbereidingen zal treffen voor het boorseizoen van 2012. Het besluit hangt samen met toestemming van diverse departementen – en beroepsprocedures tegen die vergunningen door tegenstanders.

Voorlopige goedkeuring voor het boorplan in de Beaufortzee is binnen; voor de Chukchizee nog niet. Maar vorige week nog spanden critici van de plannen, met name milieuorganisaties en lokale bevolkingsgroepen, een procedure aan tegen een uitstootvergunning voor het ijsbestendige boorschip Kulluk, waarmee Shell aan de slag wil in de Beaufortzee. Een beroep tegen zo’n vergunning voor het boorschip Discoverer, dat het energieconcern wil inzetten in de Chukchizee, loopt. Het zijn slechts twee voorbeelden in een jarenlang vergunningsproces.

De langdurige procedures, ingegeven door vrees voor een olielek, vormen een bron van toenemende frustratie voor het energiebedrijf. „Het is tijd dat we vooruit kunnen”, zegt David Lawrence, vicepresident van Shell voor exploratie in het westelijk halfrond. „We wachten al erg lang. Ik ben betrokken geweest bij het aanboren van vierhonderd bronnen in andere delen van de wereld in de tijd dat we wachten op toestemming om te kunnen boren bij Alaska.”

Lawrence, een veteraan van internationale exploratie bij Shell, schat de voorraad voor de kust van Alaska op 25 miljard vaten olie en 3.400 miljard kubieke meter aardgas. „De omvang rechtvaardigt de moeite die we ervoor doen”, zegt hij. „Het is een vooruitzicht van wereldklasse, naar verhouding op kleine dieptes in ondiepe wateren, onder relatief lage druk. Dat is een mooie combinatie voor zo’n grote reserve – zij het dat we te maken hebben met de uitdagingen van het poolgebied.”

En daar zit het probleem. Tegenstanders van olieboringen voor de kust van Alaska voeren felle strijd tegen de plannen van Shell. Volgens hen moet er geen toestemming worden gegeven voor olieboringen zonder bewijs dat oliebedrijven in staat zijn een mogelijk olielek te bestrijden onder de moeilijke omstandigheden van de regio.

„Er bestaat simpelweg geen vermogen om te reageren op een olielek in het Arctische gebied”, zegt Rebecca Noblin van het Center for Biological Diversity, een van de organisaties die de plannen van Shell aanvechten met juridische procedures. Vrees voor een olielek is hoog sinds de olieramp van BP in de Golf van Mexico, vorig jaar – een incident dat met grote moeite onder controle kon worden gebracht, ondanks relatief goed weer en goede bereikbaarheid van de ramplocatie op zeeniveau. Bij Alaska zou het heel anders liggen, meent Noblin. „Het dichtstbijzijnde kustwachtstation ligt op een afstand van meer dan 1600 kilometer, we hebben geen technologie om met gelekte olie om te gaan, en we hebben te maken met barre weersomstandigheden.” Het nachtmerriescenario: een lek aan het einde van het boorseizoen, net voordat het ijs de wateren onbegaanbaar maakt. „Je zou een periode kunnen hebben van acht maanden waarin je niets kunt doen tegen een lek onder het ijs.”

Shell bestrijdt dat. Volgens het energieconcern is het risico veel lager dan in de Golf, omdat de oliebronnen in veel ondieper water liggen – nergens dieper dan 50 meter – en onder lagere druk staan. Bovendien heeft het een uitvoerig plan ingediend om op een mogelijk lek te reageren, met eigen schepen om olie in te dammen en op te zuigen. Volgens Leah Donahey van de Alaska Wilderness League zijn die plannen „niet realistisch” voor de omstandigheden ter plaatse. „Wij willen dat de regering strengere eisen stelt aan Shell”, zegt zij. „Laat ze met een reële test bewijzen dat hun methodes effectief genoeg zijn.” Ze verwijst naar een recent rapport van de US Geological Survey (USGS), waarin werd geconcludeerd dat er „geen methode is om gelekte olie op te ruimen in zee-ijs.”

Niettemin toont de Amerikaanse overheid een grotere bereidheid om boringen voor de kust van Alaska toe te staan. Na de ramp in de Golf stelde president Obama een moratorium in, maar dat is inmiddels opgeheven. Vorige maand kondigde zijn regering aan om vanaf 2015 meer rechten te willen verkopen voor boorgebieden in de regio. Oliebedrijven als ConocoPhillips en het Noorse Statoil hebben al boorrechten voor het gebied – en volgen nauwlettend de vorderingen van Shell.

„Shell baant de weg voor andere bedrijven”, zegt John Dunn, analist bij Wood Mackenzie in Houston. „Ze doorlopen alle procedures die je kunt verwachten in een nieuw gebied. Shell is vasthoudend geweest de afgelopen jaren, een indicatie voor het potentieel dat ze zien. Met hun wereldwijde ervaring zijn ze in een goede positie om een project als dit uit te voeren. Velen zullen de proefboringen in de gaten houden.”

Voor Alaska zou een grote vondst door Shell een economische zege zijn, zegt zijn collega Chirag Sabunani. Olieproductie van landbronnen in de staat, een van de belangrijkste olieproducenten binnen de VS, is al jaren dalende. Als die trend doorzet, wordt de pijpleiding die olie uit Alaska naar het zuiden brengt, het Trans-Alaska Pipeline System (TAPS), over enkele jaren onbruikbaar wegens te lage volumes. „Een grote nieuwe vondst zou helpen om TAPS draaiende te houden en de staat geld op te brengen”, aldus Sabunani.

Daarom pleiten politieke leiders voor grotere haast bij het vergunningsproces. In een brief aan Obama ondertekend door de gouverneur en senatoren van Alaska, stelden zij dat „het exploratieprogramma van Shell niet wordt geblokkeerd wegens gebreken aan de voorstellen”, maar door „beroepen en processen bedoeld om vergunningen te vertragen of ongedaan te maken”. Economisch is het volgens hen „dringend noodzakelijk dat bedrijven als Shell wordt toegestaan naar olie te zoeken voor de kust van Alaska.”

Noblin van het Center for Biological Diversity verwerpt die „politieke druk om te boren” als deel van „een verslaving aan fossiele brandstoffen die op termijn niet houdbaar is.”

Maar de oproep om voort te maken met het besluitvormingsproces is Lawrence van Shell uit het hart gegrepen. „We staan positief tegenover de regelgeving, maar we hebben beslissingen nodig op een redelijke termijn, en overzichtelijke procedures”, zegt hij. „We hebben stap voor stap vooruitgang geboekt, ik heb goede moed.”

    • Frank Kuin