Na de film huiveren bij nieuwe poolcirkelavonturen

Lieneke Dijkzeul: De overwintering op Nova Zembla. Lemniscaat, 220 blz. € 18,95

Rob Ruggenberg: IJsbarbaar.Queri-do, 326 blz. €14,95

Voor wie na het zien van de avonturenfilm Nova Zembla nog een keer wil afreizen naar het ijselijke Hoogste Noorden, is er nu Bevroren Tijd (1998) van Lieneke Dijkzeul. Zij liet zich inspireren door het feitelijke reisverslag over de gestrande tocht om de Noord zoals in 1596-1597, opgetekend door bemanningslid Gerrit de Veer. Helaas is die poëtische titel veranderd in het prozaïsche ‘De Overwintering op Nova Zembla’ (12+) en daarom lijkt het logischerwijze ‘het ware verhaal’ te zijn.

En inderdaad: vanuit het perspectief van Laurens en Jan, de jongste scheepsmaten van Heemskerck, roept Dijkzeul een huiveringwekkend waarheidsgetrouw beeld op van de eindeloze poolnacht: ‘de kou, de honger en de vervloekte duisternis’. Onmenselijk is het leven in ‘het Behouden Huys’, waar zonder klok de tijd lijkt stil te staan. Gruwelijk zijn de ‘gescheurde afgebrokkelde nagels, gesprongen vriesblaren en gezwollen knokkels’. Smerig is de stank van de stervenden. En onwaarschijnlijk frustrerend de barre terugtocht in twee open boten.

In zo’n grimmig verhaal is voor romantiek en sentiment vanzelfsprekend geen ruimte. Dat heeft Dijkzeul goed begrepen. Toch zindert haar relaas niet genoeg, wat ontegenzeggelijk te wijten is aan Dijkzeuls beschrijvende stijl en gebrek aan krachtige dialogen.

Dat euvel komt vaker voor, blijkt uit Rob Ruggenbergs IJsbarbaar (10+), De auteur heeft zich zo goed gedocumenteerd, dat zijn ijver vaak tussen de regels door sijpelt.

Groot voordeel van zijn uitgebreide onderzoek (onder meer op Groenland) is dat je hem nergens betrapt op anachronismen. Bovendien toont Ruggenberg meer bravoure dan Dijkzeul. Hij schrijft beeldend en heeft met de dertienjarige Nunôk – een inuïtjongen die in 1624 door verdwaalde Nederlandse ontdekkingsreizigers uit Groenland wordt ontvoerd – een onvergetelijk personage gecreëerd, ver van huis verteerd door twijfel en eenzaamheid.

Nunôks deels waar gebeurde avonturen zijn afwisselend spannend en bizar, maar weerspiegelen ook – en dat is heel knap – de actualiteit. Wanneer hij vanuit Groenland, waar ‘grote rafelige ijsbergen als spookachtige witte schildwachten voor de kust liggen’, uiteindelijk in Schiedam belandt, wordt hem onaangenaam duidelijk gemaakt dat hij ‘maar beter naar zijn eigen soort terug kan gaan’. Als vreemdeling is hij slechts goed genoeg om als ‘ijsbarbaar’ zijn kunsten op de kermis te vertonen, of als proefkonijn de wetenschap te dienen. Zo maakt Ruggenberg onze 17de-eeuwse geschiedenis herkenbaar en invoelbaar met poolkoorts als gevolg: een lovenswaardige prestatie.

    • Mirjam Noorduijn