Met de jaren komt de verdieping

Een psychiatrische inrichting, speciaal voor overspannen kunstenaars. Dat lijkt een toplocatie voor een roman van D.Hooijer, met haar voorkeur voor randfiguren.

D. Hooijer: De wanden van Oeverhorst. Van Oorschot. 222 blz. € 16,–

‘Is dat nu zo erg, oud zijn en in een rolstoel zitten?” Dat vraagt een van de figuren uit De wanden van Oeverhorst, de nieuwe roman van D. Hooijer, zich hardop af, nadat hij een hersenbloeding heeft gehad. De meeste mensen zullen volmondig ‘ja’ antwoorden op zo’n vraag. Ja, het is erg om oud te zijn en ja, het is erg om dan ook nog in een rolstoel te moeten zitten. Maar deze rolstoeler, een psychiater, is allang opgelucht dat hij het nog kan navertellen, en aanvaardt zijn lot met opmerkelijke blijmoedigheid.

Die blijmoedigheid is lang niet altijd aanwezig bij Hooijer. Neem bijvoorbeeld Sleur is een roofdier (2007) waarin een 66-jarige voor veel minder al serieus overwoog om er een eind aan te maken. In De wanden van Oeverhorst steekt dit zelfmoordthema ook nog even de kop op. Niet bij een gehandicapte op leeftijd, maar bij een jonge vrouw, acht maanden zwanger bovendien, die na ontslag uit de psychiatrische kliniek van het dak springt. Waarom? Dat wordt niet duidelijk, zoals we dat wel vaker zien bij Hooijer. Het enige wat we over haar horen is dat de tekeningen die ze maakte in huize Oeverhorst, zo kleurig waren. ‘Iets kan ook té fris zijn’, meende haar tekenlerares al.

Een psychiatrische inrichting, speciaal voor overspannen kunstenaars. Dat lijkt een toplocatie voor een roman van Hooijer, met haar voorkeur voor randfiguren. Maar de schijn bedriegt hier enigszins. Dit boek is juist wat gewoner dan Catwalk (2009), haar vorige roman, waarin je nog een woeste mengeling zag van brave nijverheid, moordaanslag, droevig weduwnaarschap en vrouwenjacht. In De wanden van Oeverhorst gaat het kalmer toe. De tijdelijke bewoners zijn, op die ene atypische zelfmoordenares na, hooguit lichtjes gestoord. Onder begeleiding van de therapeuten Wibold, Olaf, Louise en Antoinette schilderen en componeren ze erop los. Met als hoogtepunt de jaarlijkse onthulling van de creatieve productie, in aanwezigheid van de streekburgemeester.

De rode draad in deze geanimeerde geschiedenis, die zich in een enigszins zwevend tijdvak afspeelt (van pakweg 1960 tot heden), vormt de steeds wisselende wandschildering die op een ‘aspergewit’ vlak wordt aangebracht door steeds wisselende ‘internen’, met steeds wisselende ideeën. De ene keer komt er een zeetafereel met surfers uit de bus. De andere keer een vlucht zwaluwen. Een rivier met roeiers. Of een wolkenlucht met veel goud erin. Komisch detail is hierbij dat de schilders elkaar steeds stiekem corrigeren. Kromme lijntjes worden rechtgetrokken, details bijgetekend of juist weggepoetst. En steeds wordt de schildersploeg bijgestaan door juf Antoinette, de onbetwiste heldin van de roman. Zij ontpopt zich van schroomvallige weduwe tot wellustige minnares, die zich graag in de bosjes of bij de bushalte laat overrompelen door haar Olaf.

Wij zien alles steeds door haar schilderkunstige oog. Zij analyseert niet, zij kijkt alleen maar. Geen uitleg, geen psychologische verklaringen, veel losse observaties. We zien nooit het hele tafereel, maar steeds een onderdeel. Dat levert geestige woorden en zinnen op. ‘Waar sla ik op?’ kan iemand zich ineens afvragen. Een kort onderhoud heet ‘gesnoeid praten’. Ergens ongericht over filosoferen: ‘onbekokstoofd denken’ of ‘een traject nadansen in je hoofd’. Een vrouw die haar kind wil uitbesteden: ‘een echt brengmoedertje’. Maar Hooijers wat ongericht voorthobbelende, mompelige stijl heeft ook een schaduwkant. Het is wat oeverloos allemaal. Het gaat van de hak op de tak, zonder dat je ziet waar het heengaat. En het geheel is niet helemaal in evenwicht. Over het ene voorval wordt gezellig uitgeweid, terwijl andere gebeurtenissen haastig worden afgedaan, zodat vreemde leemtes ontstaan.

Wat moeten we ons voorstellen bij zo’n verzonnen instelling als Oeverhorst? Een modeloord, zo te zien, waar de kunstenaar uit zijn gewone, eenzame sleur wordt gehaald. Hij hoeft geen eindeloze gesprekken te voeren, maar gaat eenvoudigweg door met wat hij altijd al deed, maar dan samen met anderen. Wat hier oprijst is een kunstenaarskolonie, badend in groen, waar artistieke conflicten worden uitgevochten, maar waar ook ruimte is voor liefde en vriendschap. De ondertoon is mild – en soms ook rijkelijk zoetsappig.

Opvallend is hoe soepel elk nadeel hier steeds maar weer in zijn voordeel wordt omgetoverd. Daarmee krijgt Hooijer de lachers wel weer op haar hand. Een rolstoel? Wat een handig en wendbaar voertuig! Diefstal van koperen beeldjes? Eigenlijk een heel aantrekkelijke manier van kunstverspreiding! Ouderdom en aftakeling? Met de jaren komt juist de scherpte en de verdieping!

Vooral dit laatste, een pleidooi voor de bejaarde, creatieve mens, is een steeds terugkerend motief. Zelfbeschikking is hier het sleutelwoord. Pas als hij of zij er zelf geen heil meer in ziet, na alles uit het leven gehaald te hebben wat er inzit, valt er misschien te denken aan een zelfgekozen ‘pillendood’. Tot die tijd duldt Hooijers krasse knar geen tegenspraak en al helemaal geen betutteling. Tot die pillendood wordt er volop geleefd. ‘Eerst gaan we weer roken en drinken.’

    • Janet Luis