Luister toch naar Odin, Baldur en Loki

A.S. Byatt: Ragnarök. De ondergang van de goden. Vert. Gerda Baardman Marian Lameris. De Bezige Bij, 191 blz. € 19,90

Daar gáán de goden. In een allesvernietigende veldslag, de Ragnarök, trekken ze tegen elkaar ten strijde en als resultaat gaat de hele wereld ten onder.

Toen voormalig Booker Prize- winnaar A.S. Byatt werd gevraagd een bijdrage te leveren aan de serie Mythen (‘Een selectie van internationale topauteurs hervertelt een mythe op een moderne en memorabele manier’) koos ze meteen voor deze eindstrijd uit de Noordse mythologie. Ze kende het thema nog uit Asgard and the Gods, een boek dat ze als kind las en dat haar naar eigen zeggen het verschil tussen mythen en sprookjes bijbracht.

Vandaar dat voor dit boek een hoofdrol is weggelegd in Ragnarök; het wordt gelezen door een meisje dat naamloos blijft en wordt aangeduid als ‘het tengere kind’. De Tweede Wereldoorlog is uitgebroken en ze is geëvacueerd naar het Engelse platteland. Haar vader is actief als gevechtspiloot in Afrika.

De ervaringen van het kind worden afgewisseld met de mythen die het leest, met glansrollen voor illustere goden als Odin, Baldur en Loki. Het kind vergelijkt het ‘barbaarse, offers brengende’ van de mythen met het ‘wattige, zoete en zachte’ van de Bijbellessen die ze krijgt – en de mythen bevallen haar beter.

De taal van de mythen beïnvloedt de manier waarop ze naar haar eigen wereld kijkt; niet alleen naar de natuur om haar heen, maar ook naar haar afwezige vader, die in haar verbeelding uitgroeit tot een mythologische held. De dreiging van de nazi’s wordt verbonden met de dreigende ondergang waar de mythen over gaan, want het kind is ervan overtuigd dat haar vader niet uit de oorlog zal terugkeren. De ondergang van de godenwereld uit haar boek weerspiegelt de gevreesde ondergang van haar eigen wereld.

Zo smeedt Byatt de twee werelden uit haar verhaal samen tot één geheel, zonder dat ze de mythen op geforceerde manier hoeft te moderniseren.

Ragnarök is een sympathiek boek (met een verhelderend nawoord), maar tegelijkertijd is het wat taai, omdat Byatt de mythen meer aandacht geeft dan de belevenissen van het kind. Al die mythische passages krijgen op den duur iets eentonigs, omdat ze worden verteld in plechtstatig, ronkend proza waarin clichés en bijvoeglijke naamwoorden niet worden geschuwd. Licht is goud dan wel amberkleurig, rotsen zijn messcherp, de muilen van wolven bebloed. ‘Negen dagen en nachten reed Hermodur op het achtbenige paard door het koninkrijk van de dood, door dalen en over asgrijze paden waar geen licht was…’

Zo hóren mythen natuurlijk ook verteld te worden, maar na verloop van tijd krijg je toch de neiging dergelijke passages diagonaal te lezen. In dat geval mis je wel iets, want als je dit proza hardop aan jezelf voorleest, blijkt het opeens toch diepte en meeslependheid te bezitten. Geen wonder – die mythen waren bedoeld om te worden voorgedragen, niet om stilletjes in een hoekje te worden gelezen. De lezer die zijn schaamte overwint en zijn stem verheft, wint er een dimensie bij. Bovendien valt dan ook pas goed op hoe soepel en natuurlijk de Nederlandse vertaling klinkt.

    • Rob van Essen