Laat mij de forel maar zijn

Weer een ‘Great Australian Novel’– het etiket is de laatste jaren wat sleets geraakt. Dit keer maakt De forellenopera aanspraak op de titel. Net als in vele andere Australische romans wordt ook hier het natuurschoon afgezet tegen het menselijk onvermogen.

Two trout side by side on ice Image Source

Matthew Condon: De forellenopera. Vertaald door Wim Scherpenisse en Gerda Baardman. Nieuw Amsterdam, 622 blz. € 24,95

Een beetje rivier heeft een opmerkelijke bron, of op z’n minst eenmooie ontstaansgeschiedenis. De bron van de Nijl heeft haar tragische ontdekker John Hanning Speke, de Ganges heeft zelfs een goddelijke oorsprong, daar waar de haarstrengen van Shiva de rivier in goede banen leiden. En Australië? Dat heeft Snowy River.

Over deze laatste, kolkende rivier schreef de Australische bush-dichter Banjo Paterson in 1890 het epische gedicht The Man from Snowy River. Het draait om een achtervolging te paard, ondernomen in een poging om het veulen van een prijswinnend paard terug te veroveren. Tegelijkertijd gaat het natuurlijk over die ene dappere jongen die het op vrijwel onmogelijk begaanbaar terrein niet opgeeft.

Het heldendom van de jongen werd gezien als symbolisch voor het jonge land dat moest vechten tegen beeldvorming van Australië als woestenij van nietsnutten en tegen de Britse overheersers. Het is een beeld dat ruim tien jaar na verschijning van het gedicht werd overwonnen.

Als Snowy River inderdaad symbool staat voor Australië, dan is het droevig gesteld met het land. De rivier verwerd in de jaren vijftig en zestig tot een hoop stroompjes dat alleen nog nut had voor irrigatiedoeleinden. Hele stukken land vielen droog en dorpen stroomden leeg. Maar toch is er meer met deze rivier aan de hand, tenminste, die indruk krijg je wanneer je De forellenopera van de Australische auteur Matthew Condon (1962) leest.

In deze roman staan enkele bewoners centraal die langs die rivier wonen, zoals een zekere Wilfred Lampe. Wilfred groeide op aan de oever, werkend als manusje van alles en levend van forellenvangst. Een hoogtepunt in zijn leven bereikt hij wanneer hij op zesjarige leeftijd als forel mag meedoen aan een schooluitvoering. Maandenlang werkt zijn moeder aan een prachtig forellenpak, er wordt in de klas hard gestudeerd onder leiding van een merkwaardige leraar die uit Duitsland komt. Het moet een spetterend geheel worden. Het is een alternatief kerstspel waarbij de zesjarigen zich tot vlinders ontpoppen. De rivier wordt voorgesteld als een blauw doek en als klap op de vuurpijl moet aan het slot de forellenkoning, Wilfred, aan het publiek getoond worden. Maar de opvoering loopt mis, de hele boel stort in en de Duitse leraar zal zich verhangen.

De forellenopera was bij voorbaat gedoemd tot mislukken; niemand kan Jezus in een gelovig dorp zomaar vervangen door een forel. De gefnuikte voorstelling is niet alleen typerend voor het verloop van de rivier, maar ook voor het leven van Wilfred. De lezer wordt meegevoerd over de periode van honderd jaar die de man heeft geleefd. In 2000 wordt hem door de organisatie van de Olympische Spelen gevraagd het icoon te zijn van de Australische geschiedenis bij de ceremoniële opening. Wilfred wordt weggehaald van zijn plek aan de Snowy River om in een verzorgingshuis bewaakt te worden. Hij mag niet het loodje leggen voordat de Spelen beginnen.

Achternichtje

Behalve Wilfred neemt de caleidoscopische roman je ook mee in de levens van anderen, zoals Aurora, het aan drugs verslaafde achternichtje van Wilfred, haar verslaafde en gewelddadige vriendje en een mislukte journalist die alleen nog nachtprogramma’s mag presenteren. Dronken achter de microfoon scheldt de journalist zich suf over het Australië van nu en maakt hij zijn xenofobe bellers – kennelijk vaak slechte slapers – belachelijk. Uitgerekend hij krijgt de primeur dat Wilfred ontvoerd is om het succes van Australische geschiedenis te belichamen tijdens de opening van de Olympische Spelen.

Matthew Condon introduceert veel personages en dat maakt het niet eenvoudig om in het verhaal te komen, maar na een tijdje vallen de stemmen samen en dan blijkt, zoals wel vaker, dat oude mannen, verslaafden en dronkaards vaak de waarheid spreken, ook als die niet flatteus is.

Condons beeld van Australië is verre van fraai. Het lijkt wel of dit land – net als Ierland een oud-kolonie van Groot-Brittannië die zich cultureel nooit helemaal wist los te worstelen – een patent heeft op literaire groezeligheden. Het wonderlijke natuurschoon wordt in Australische romans vaak afgezet tegen het onvermogen van de mens. Je ziet dat al bij Nobelprijswinnaar Patrick White, wanneer hij de teleurstellingen van ontdekkingsreizigers beschrijft, maar je komt het ook tegen bij Tim Winton of Richard Flanagan. Om rijkaards die zich te goed doen aan de rijkdom van de natuur bekommeren ze zich niet.

Uitgestotenen

Het gaat om de mislukkingen en de teleurstellingen van de uitgestotenen. Teruggeworpen op zichzelf wentelen ze zich in vuiligheid. Zo ook bij Condon en zijn vrijgezel Wilfred die te maken krijgt met een overdosis motten en opgezette vissen. Nagels hebben rouwranden in deze wereld, veters blijven ongestrikt.

In het moderne Australië van Condon is het met de mensen niet veel beter gesteld. Het is een wereld van campers en drugsverslaafden die al kotsend boven de wc-pot hangen, zich tekort gedaan voelen en voortdurend klagen over al die dronken Aboriginals.

Vanwege deze parallel tussen het verleden en het heden – en om meer redenen – werd De forellenopera in eigen land meteen onthaald als klassieker. En – uiteraard – als Great Australian Novel, maar dat etiket is de afgelopen jaren wel vaker gebruikt en daarom een beetje aan slijtage onderhevig.

Klassieker of niet: De forellenopera is een schitterend boek over een eeuw Australië, waarin voortdurend gewerkt wordt aan de verwezenlijking van een droom. Een roman over een land waarin de mens de natuur heeft overwonnen en waar geesten ontwaken. ‘Australië kan hard zijn, maar de zwartgeblakerde aarde voedt het leven…’, aldus de romantekst van het Olympisch Comité bij de openingsceremonie, om zodoende een ‘tolerant, vrij land, de bakermat van een toekomstige beschaving te worden. Het zonnige, hartelijke Australië. Het veilige Australië’. Dat is het land dat is opgebouwd door migratie, maar dat rond de laatste eeuwwisseling en dus in de tijd van de Olympische Spelen, nieuwe asielzoekers in bootjes bij voorkeur terug op zee stuurt. Angst voor al die gelukszoekers is gaan overheersen, is Condons suggestie.

De forellenopera is mooi geschreven, maatschappijkritisch, maar heeft ook de neiging het verleden op het platteland te idealiseren. Dat de roman desondanks overtuigt, is vooral omdat Condon toe werkt naar een climax die een echte opera waardig is.