Kunstenaar speelt voor sekstoerist

In zijn memoires houdt schilder Peter Klashorst zich vooral bezig met seks, schilderen en schelden.

Hij wil wel een schelm zijn, maar een Casanova is hij niet.

Iets over de helft van Kunstkannibaal, de memoires van de Nederlandse schilder Peter Klashorst, krijgt de schrijver er zelf ook een beetje genoeg van. In Mombasa, Kenia, heeft Klashorst (1957) de mooie Malia ontmoet. Ze is 17 of 24, dat kan hij niet goed vaststellen, maar hoe dan ook: wonderlijk genoeg heeft hij niet veel zin in seks met haar. ‘Mijn gedachten verdwaalden in de afgelopen door ons samen doorgebrachte uren’, schrijft hij onder het kopje ‘Mombasa-Logboek, Ave Malia, Kenia, 2011’. ‘Ik heb steeds minder behoefte aan seks en steeds meer aan gewoon van de schoonheid van vrouwen genieten, kijken, kijken, en niet kopen.’

Ook de lezer heeft dan al zoveel door Klashorst en andere mannen ‘uitgewoonde’ vrouwen achter de rug, dat hij even niet wil lezen over sperma dat in monden of op gezichten wordt gespoten. Maar het geklieder gaat nog bijna een half boek door, al komen de seksuele contacten wel steeds moeizamer tot stand en beschrijft Klashorst ze steeds lustelozer.

Kunstkannibaal bestaat uit harkerig geschreven brokken tekst die in de tijd verspringen, van 2011 via vele andere jaren naar 1968 en weer terug. De brokken, in lengte variërend van enkele zinnen tot enkele bladzijden, vertellen hoe Klashorst na een veelbelovend begin als jonge wilde schilder in de Amsterdamse kunstscene van begin jaren tachtig een arm schilderbeest wordt.

In de jaren negentig raakt hij in de ban van zwarte vrouwen en gaat met tussenpozen werken in Kenia, Oeganda, Gambia, Thailand en Cambodja. Aan deze periode wijdt hij het grootste deel van zijn memoires. Hier schildert hij niet alleen als een razende zijn modellen – soms maakt hij tientallen doeken per dag die onveranderlijk nauwelijks iets opbrengen – maar heeft ook bijna altijd rampetampseks met ze. Met een paar vrouwen krijgt hij kinderen, maar daarover komt de lezer weinig te weten.

In de Afrikaanse landen brengen leven en werk hem regelmatig in de problemen. Steeds weer vallen corrupte politiemannen hem lastig wegens seks met minderjarigen of het schilderen van naakte vrouwen. Meestal lost hij de problemen op door ze een flink bedrag te betalen, een enkele maal komt hij in de gevangenis terecht. Een keer slaat hij samen met een vriend op de vlucht, slechts gekleed in een katoenen onderbroek. Op een motor weten ze te ontsnappen aan een arrestatie.

Af en toe onderbreekt Klashorst zijn avonturen met onmachtige tirades tegen de Nederlandse kunstwereld. ‘De kunstwereld is iets voor onesthetische mensen, contactgestoorde autisten en boterkonterige, seksloze vrouwen met uitgedroogde lange chagrijnige betweterige smoelen.’ Ook lardeert hij zijn memoires met namen van vele bekende kunstenaars uit heden en verleden als hij, meestal heel kort, zijn eigen foto’s en schilderijen toelicht. Picasso, Willem de Kooning, Renoir, Egon Schiele, Fragonard, Yves Klein, Marcel Duchamp, Goya, Rubens en Rembrandt – het zijn niet de minsten uit de kunstgeschiedenis die hij met zijn eigen kunst in verband brengt. Maar een groot theoreticus is hij niet. Klashorst schrijft vooral over wat hij wil zijn: ‘een kunstenaar van en voor het volk.’

Kunstkannibaal is als een schelmenroman genoemd en de opvolger van Ik, Jan Cremer. Maar Klashorst is wel een schelm die het zich gemakkelijk heeft gemaakt. Net als Casanova, een andere schelmse voorganger, heeft hij seks met vele vrouwen, maar anders dan de 18de-eeuwse Italiaanse meesterversierder maakt hij weinig werk van het hof maken. Was het voor Casanova een sport om de vrouw te krijgen op wie hij zijn oog liet vallen, Klashorst gaat gewoon naar de eerste de beste hoerentent als hij in een Afrikaanse of Aziatische stad aankomt. Daar pikt hij er dan een of een paar mooie vrouwen op en gebruikt ze, tegen betaling uiteraard, als model en seksobject. Af en toe wordt hij verliefd op een meisje, maar lang duurt dat nooit. Telkens is hij hun gezeur al gauw zat.

Ondanks zijn verhalen over het zoeken naar een muze die hem tot grote, kunstzinnige hoogten kan brengen, is Klashorst dan ook eerder een ordinaire westerse sekstoerist dan een klassieke schelm. Bijna tot het einde van zijn memoires blijft hij doorgaan met rampetampen in Azië en Afrika. Dit maakt zijn memoires buitengewoon eentonig.

Kunstkannibaal kan dan ook niet tippen aan de memoires van Casanova die altijd weer nieuwe listen en hoffelijkheden moest verzinnen om de vrouw te krijgen die zijn begeerte had opgewekt. Toch wordt Klashorst uiteindelijk geconfronteerd met dezelfde tragiek als Casanova. Zoals de Italiaan in zijn memoires beschrijft hoe het versieren hem wegens zijn ouderdom en afnemende aantrekkelijkheid steeds moeilijker afgaat en ten slotte eindigt als seksloze bibliothecaris in Bohemen, zo zit Klashorst op een van de laatste pagina’s van Kunstkannibaal – het is dan september 2011 – uitgeblust op de bank in het appartement van zijn mooie Malia.

Seks hoeft hij niet meer. Hij heeft genoeg aan kijken naar haar prachtige lichaam, maar omgekeerd lijkt ze weinig in hem te zien. ‘Blijkbaar was het kijken naar mijn kalende, gerimpelde harses en dito verzakte, door alcohol, drugs en genadeloos hard werken gesloopte lichaam, met die ouwe slappe naar beneden hangende uitgerekte versleten lul, niet meer voldoende om haar visuele verlangens te bevredigen.’ Ze wil een tv met touchscreen, signaal voor de blutte Klashorst om te vertrekken.

Peter Klashorst: Kunstkannibaal Memoires van een berucht kunstenaar. Prometheus, 388 blz. € 19,95 *