Eenkennige museumdirecteur

Het waren harde woorden die kunstverzamelaar Christiaan Braun vorige maand schreef in zijn open brief aan de Raad van Toezicht van het Stedelijk Museum in Amsterdam, op de opiniepagina van deze krant. Als die raad zijn verantwoordelijkheid niet neemt, waarschuwde Braun, dan wordt het niks met het Stedelijk, wanneer het straks opengaat na die langdurige renovatie vol onfortuinlijke incidenten.

Braun is niet de enige met kritiek en die kritiek geldt vooral museumdirecteur Ann Goldstein. Goldstein bestiert het Stedelijk nu twee jaar, en nog altijd voelt ze als de nieuwe directeur. Opening van zaken vindt ze niet nodig. Het nut van vragen naar haar voorkeuren en ideeën ziet ze niet in.

Ook op de pagina’s die het Cultureel Supplement van deze krant gisteren wijdde aan ‘haar’ Stedelijk, houdt ze de tong achter haar tanden. Inzicht in haar beleid verschaft ze mondjesmaat en toekomstmuziek speelt ze per se niet. Ze richt zich op de opening van het nieuwe Stedelijk, zegt ze. Ze wil beoordeeld worden op wat ze vervolgens in en met het museum doet. Dat klinkt nobel. Maar het is onhandig, en dat is vriendelijk uitgedrukt.

Dusdoende staat ze haar critici toe om de zaken extra somber voor te stellen. Het Stedelijk is bijvoorbeeld niet zo dicht als het lijkt. De twee versies van Goldsteins Temporary Stedelijk trokken een ruim 200.000-koppig publiek, ondanks het feit dat ze tamelijk compromisloos waren samengesteld. Goldstein bevordert coproducties, zoals volgende week vrijdag met het Concertgebouworkest. Ze smeedde aansluiting met doorslaggevende Nederlandse instellingen als de Rijksakademie van beeldende kunsten en kunstcentrum De Appel.

Volgens betrokkenen is ze „heel zichtbaar in kunstenaarskringen’’, onderhoudt ze contacten met kunstliefhebbers en internationale verzamelaars. Oftewel: Goldstein propageert haar museum bij de incrowd. Haar publiek, de ‘gewone’ mensen die haar museum willen bezoeken en die het tot een succes moeten maken, ontwijkt ze.

Ze beschreef wat ze met het Stedelijk wil in een volgens de voorzitter van de Raad van Toezicht „heel diep, prachtig stuk’’. Maar dat moois mogen wij niet lezen. Het is voorbehouden aan de staf en medewerkers van het museum.

Goldstein stelt zich onverantwoord eenkennig op. Haar staf, haar bestuur, het warme nest van de kunsten, ze moeten haar opjutten en haar bijbrengen dat ze tekortschiet met dat schaarse besef van de buitenwacht. Het nieuwe Stedelijk Museum mag niet mislukken. Behalve bij inhoudelijk sterke leiding is het afhankelijk van een gepassioneerd boegbeeld dat ervoor opkomt en het aan de man brengt. Ann Goldstein kan niet net doen of ze dat boegbeeld niet is.