Een ruwe Noorse Proust

20090914 Forfatter Karl Ove Knausgård. Malmø, Sverige.

Karl Ove Knausgård: Vader. Mijn strijd 1. Vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar. De Geus, 445 blz. Prijs € 25,–

‘Wat ik probeerde, en wat misschien alle schrijvers proberen, wie zal het zeggen, was fictie met fictie te bestrijden. Wat ik zou moeten doen, was ja zeggen tegen het bestaande, [...] me uitleven in de wereld in plaats van naar een uitweg zoeken. Maar dat lukte me niet, dat kon ik niet.’

Deze vertwijfelde zinnen slaan toe halverwege de roman Vader van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård (1968). Ze komen als een verrassing. Tot dan heeft Knausgård de lezer meegenomen in een als autobiografie gepresenteerd verhaal over een opgroeiende jongeman in de jaren zeventig en tachtig in Noorwegen, van de fjorden in het eenzame noorden tot in Bergen en de hoofdstad Olso. De auteur figureert onder zijn eigen naam. Hij heeft zichzelf tot fictieve hoofdpersoon getransformeerd. Uit deze literaire ingreep komt de bovenstaande vertwijfeling voort: kan fictie de werkelijkheid weergeven? Waar ligt de grens tussen autobiografie en roman?

Vader opent met een even aangrijpende als indringende beschrijving van de dood, eerst in het algemeen, later spitst die beschrijving zich toe op de man naar wie het boek is genoemd, de vader. De oorzaak van zijn overlijden ligt in een fatale combinatie van zelfdestructie en alcoholisme. De heerszuchtige man is een hulpeloos wezen geworden. Hij kon drinken tot hij ‘stervensbezopen’ was, zoals Knausgård schrijft.

Knausgård voltooide in twee jaar een reeks van zes omvangrijke romans waarin hij, zoals hij aangeeft, niets anders doet dan eenvoudigweg zijn eigen, niet eens spectaculaire leven te beschrijven. In het Noors brengt hij zijn roman fleuve uit onder de titel Min kamp, ofwel Mijn strijd. De titel Vader voor het eerste boek (Første bok) is een toevoeging van de overigens prachtige Nederlandse vertaling. Het lijkt me een terechte keuze.

In Noorwegen is Knausgårds Scandinavische versie van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust met overweldigend succes ontvangen. Hoewel Proust het grote voorbeeld is van Knausgård als beginnend auteur zijn er weinig overeenkomsten tussen beide levensprojecten. Het cruciale begrip ‘strijd’ zoeken we vergeefs bij Proust. Bij Knausgård ontbreken de meanderende, evocatieve zinnen die, zoals bij Proust, een bedwelmend effect hebben. Dat neemt niet weg dat Vader een onthutsende leeservaring is. Knausgårds stijl is minder poëtisch dan van Proust, eerder realistisch en soms hard als rots. Zijn vermogen om zijn persoonlijke verleden op te roepen is schitterend. De dood van Karl Oves vader roept wisselende reacties op, dan weer overheerst opluchting, daarna is er diepe rouw.

Strijd: daar draait het om. In het begin van de roman tobt de schrijver Karl Ove Knausgård over zijn prille vaderschap. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het raam van zijn werkkamer en vraagt zich af of hij voor zijn eigen kinderen net zo’n vreeswekkende, autoritaire vader zal zijn als zijn vader voor hem. Geïnspireerd door deze gedachte keert hij terug naar zijn kindertijd. Daarin is volop sprake van strijd: met zijn broer, klasgenoten, meisjes, aarzelende en onhandige erotiek, de eerste stappen in de literaire wereld. De jonge Karl Ove speelt in een popband en is verslaafd aan muziek van David Bowie, Echo & The Bunnymen, U2, Talking Heads. In literair opzicht vormt de Duitse romantische dichter Friedrich Hölderlin zijn ijkpunt. Hij zoekt aansluiting bij zijn landgenoot Lars Saabye Christensen die met zijn sensationele poproman Beatles (in het Nederlands vertaald als Yesterday) eveneens schreef over de dramatische perikelen verbonden aan het volwassen worden.

Ondanks de vele voorbeelden die Knausgård noemt, is Vader vooral een boek met een authentieke toon en inzet. Knausgård beschrijft zijn adolescentengeschiedenis met een innemende mengeling van jongensachtige branie en verlegenheid. In dit opzicht is hij verwant aan zijn Zweedse collega August Strindberg in bijvoorbeeld zijn autobiografie De zoon van een dienstbode. Schreef Strindberg om zich te rechtvaardigen jegens vernederingen die hij in zijn jongensjaren als dienstbodezoon moest doorstaan, Knausgårds invalshoek is de bevrijding van zijn vader. Met vaste hand voert hij de lezer naar het slothoofdstuk. De zoon vindt de vader dood in zijn verwaarloosde huis. Dan begint hij op te ruimen, te reinigen, dweilen, de torenhoog opgestapelde vieze kleren van zijn vader weg te gooien. Het gaat pagina’s door, een subliem literair hoogtepunt van schoonheidsmanie. Het is de zoon gelukt: hij heeft zich ontdaan van zijn vader. Wat was nu een leven waard? vraagt hij zich aan het slot af. Dan komt het verpletterende inzicht: het leven is als een ‘jas die van een kleerhanger glijdt en op de grond valt’.

    • Kester Freriks