Een interview met Azzedine Alaïa

Morgen, zaterdag 10 december, opent in het Groninger Museum een tentoonstelling over Azzedine Alaïa. Een recensie over de expositie staat morgen in de krant. Lees hieronder het interview dat ik vorig jaar met de ontwerper had aan de keukentafel in zijn huis in Parijs. Met dank aan mijn toenmalige werkgever, de Volkskrant, voor de toestemming tot herpublicatie.

Een zaal op de expositie. Klik op de foto om hem te vergroten.Een zaal op de expositie. Klik op de foto om hem te vergroten.

 

 

 

 

 

 

Ieder jaar gaat Azzedine Alaïa naar H&M, om kleren te kopen voor de twee dochters van zijn broer in Tunesië. Broeken, jassen, truien, badpakken, jurken, T-shirts, alles wat de tieners nodig hebben. Met tassen vol verlaat de ontwerper de winkel. Hij wijst naar zijn commercieel directeur, die tegenover hem zit: ‘En dat kost allemaal bij elkaar minder dan dat vestje dat zij draagt!’

Dat betreffende vestje, een kort model met lange mouwen van viscose, dat al jaren in zijn collectie zit, heeft een winkelprijs van 800 euro. ‘Het is bepaald geen opwindend kledingstuk, maar we verkopen er veel van’, zegt Alaïa, op een toon alsof hij het nauwelijks kan geloven. ‘We hebben ook twinsets, die zijn nog duurder.’

‘Monsieur Alaïa wil liever niet weten dat zijn kleren zo prijzig zijn’, zegt zijn pr-man. ‘We proberen hem zo min mogelijk te laten weten wat het allemaal kost.’

Die prijzen – een gevolg van de kostbare garens en de tijd die is geïnvesteerd in de breitechnieken en de patronen, zegt de commercieel directeur – zijn geen bezwaar voor actrices, presidentsvrouwen (Alaïa was het eerste niet-Amerikaanse merk waarin Michelle Obama in het openbaar verscheen) en succesvolle modellen. ‘Mijn schoenen zijn van Alaïa’, zei het Nederlandse topmodel Lara Stone, toen ze onlangs door The New York Times werd ondervraagd over haar stijl. ‘Eigenlijk zijn al mijn schoenen van hem.’

Maar ook in het zuinige Nederland zijn er vrouwen die bereid zijn 2.000 euro of meer te betalen voor een jurk en minstens 600 euro voor een paar schoenen. ‘Ik blijf me erover verbazen’, schreef Kiki Niesten van de gelijknamige winkel in Maastricht dit voorjaar op haar website, ‘dat dit kostbare merk zo populair is bij ons.’ En vaste klant Carine Janvier (63), die al sinds de jaren tachtig kleren van Alaïa verzamelt: ‘Je voelt je een prinses, zonder dat je een prinsessenjurk aan hebt. En het draagt heerlijk; je hebt het nooit te warm of te koud.’

Met model Stephanie Seymour Met model Stephanie Seymour

De vrouwenmode van Alaïa – de in Tunesië geboren ontwerper is waarschijnlijk 70 jaar oud; hij noemt zijn leeftijd nooit, want ‘als je erover nadenkt, ga je het voelen’ – is supervrouwelijk, maar op de eerste plaats Alaïa. Jurken, de belangrijkste kledingstukken uit zijn collecties, zijn bijna altijd gemaakt van een stevig tricot, hebben uitbundig uitstaande rokken en smalle tailles en  laten de armen meestal bloot. Daarbij komen zeer brede, leren ceintuurs – Michelle Obama werd vele malen gefotografeerd met de hare – en eerdergenoemde vestjes. Schoenen hebben hakken die zo hoog zijn dat het een wonder is dat er vrouwen zijn die erop kunnen lopen, al zijn er ook ragfijne flatjes.

 

 

Een vrouw in Alaïa is een amazone, sexy en oersterk tegelijk. Zijn kleren lijken een ode aan de vrouwen die hem zijn leven lang onder hun hoede namen, om te beginnen zijn grootmoeder en moeder, ‘allebei zeer sterke persoonlijkheden’. ‘Vrouwen moeten ook sterk zijn, want voor hen is het leven zwaar. Ze voeden kinderen op, en moeten op de werkvloer de gelijken zijn van mannen, les pauvres.’

Tegelijk zouden zijn kleren ook een verbeelding kunnen zijn van de fysieke positie die hij heeft ten opzichte van vrijwel iedere vrouw; er zijn maar weinig vrouwen die niet rijzig zijn naast de niet veel meer dan 1,50 meter lange, altijd in Chinese pyjama’s geklede Alaïa.

‘De vrouwen voor wie ik ontwerp willen bewonderd worden’, zegt hij. ‘Mijn kleren doen iets voor ze. Zelfs als ik een zakjurk maak ziet dat er goed uit. Er zit altijd iets in dat het lichaam accentueert. Vrouwen weten meteen hoe ze erin moeten bewegen. Ook lelijke vrouwen worden in mijn kleren met tederheid bekeken.

‘Er kwam laatst een jonge Amerikaanse de winkel binnen in een jurk van ons. Ik begreep eerst niet hoe het kon: ze was stevig en had een enorme boezem. Ik dacht: die maat maken wij helemaal niet. Ze had zich op een of andere manier in onze grootste maat weten te persen. Het pantermotief op de jurk was zo uitgerekt dat het bijna onherkenbaar was geworden.

‘Maar ze zag er niet slecht uit, helemaal niet.’

Voorjaar 2008Voorjaar 2008

Alaïa toont zijn collecties tijdens kleine presentaties, in zijn eigen studio, die worden gevolgd door een diner. Wanneer die plaatsvinden bepaalt hij pas op het allerlaatste moment; meestal is dat helemaal aan het einde van de Parijse modeweken, wanneer het grootste gedeelte van de modepers al weer naar huis is. Zoals een van zijn medewerkers zegt: ‘Meneer Alaïa doet wat hij wil.’

En inderdaad: een eerste afspraak werd kort van tevoren afgezegd. Maar zelfs nu we dan toch eindelijk met Alaïa en een deel van zijn team aan de grote tafel in zijn professionele keuken aan een lunch van drie gangen zitten – vandaag bereid door de kok die al vele jaren voor hem werkt, maar hij kookt ook vaak zelf – is het nog steeds niet zeker of alles zal gaan zoals we hopen. ‘Ik voel me niet lekker’, kondigt hij aan nadat hij de wijn heeft ingeschonken. ‘Dus ik wil vandaag niet op de foto.’ Na de lunch is hij toch bereid te poseren, een minuutje.

De keuken, met in een hoek de ruimbemeten mand van zijn honden Didine (een enorme sint-bernard) en Anoua (een maltezer), is het kloppend hart van het huizenblok dat de ontwerper bezit in de Parijse wijk Le Marais. Zijn atelier zit er, net als zijn groothandel en zijn woning, waar ook nog vier katten wonen. Plus nog een klein hotel, dat is ingericht met zijn verzameling designklassiekers, het atelier van zijn partner (een kunstenaar met wie hij al meer dan vijftig jaar samen is), een outletwinkel en zijn ‘echte’ winkel, de enige die hij nog over heeft sinds die in New York is gesloten.

Het is een grote zaak, vol kunstwerken van zijn goede vriend Julian Schnabel. In de grote kleedkamer dienen vrouwen zich gezamenlijk om te kleden onder toeziend oog van een metershoog portret van de ontwerper, door Schnabel ter plekke gemaakt uit scherven porselein. Waar in de meeste winkels van de grote modenamen maar een klein deel van een collectie tegelijk te zien is, hangt bij Alaïa alles uit; meter na meter jurken, rokken, jassen, kostbare kledingstukken van boterzacht leer. In een hoek staan, schijnbaar nonchalant, stapels donkerbruine schoenendozen, met zwarte riemen erom.

Elke avond na het diner – waar tussen de vijftien en de twintig mensen kunnen aanzitten – vertrekt Alaïa naar zijn atelier, waar hij tot een uur of 4 of 5 uur in de ochtend doorwerkt. ‘Dan kan ik me eindelijk concentreren. Overdag zijn er afspraken en vergaderingen, komt er een coutureklant om te passen en heb ik ‘interviews’. Elke minuut roept wel iemand: ‘Meneer Alaïa!’ Hoe kun je dan nog werken?’

In die nachtelijke uren staat altijd de tv aan, bij voorkeur op National Geographic, hoewel hij zelf niets met reizen heeft, zelfs niet in zijn eigen stad. ‘Ik vind het heerlijk dat ik hier alles bij elkaar heb. Ik wil niet ook nog moeten reizen. Autorijden, of met allerlei mensen op elkaar gepakt staan in een bus of de metro, ik vind het allemaal even vreselijk.’

Najaar 2011Najaar 2011

Zijn vader was een boer die tarwe verbouwde, maar Alaïa groeide op in een wereldser omgeving: het huis van zijn grootouders in Tunis. Als het te warm was om te kunnen slapen, nam zijn grootmoeder hem mee naar het dakterras, waar ze urenlang verhalen vertelde.

Op zijn 15de, een jaar eerder dan formeel was toegestaan, ging hij naar de plaatselijke kunstacademie, waar hij koos voor beeldhouwen. ‘Maar ik realiseerde me al snel dat het een erg moeilijk beroep is.’ Een vriendin liet hem kennismaken met modebladen. In de avonduren assisteerde hij zijn oudste zus Afida, die een plaatselijke kleermaker hielp om jurken af te werken. In de zomervakanties hielp hij een naaister die Dior-couture namaakte.

Via een Tunesische klant van Dior kreeg hij in 1957 een baan bij het Franse modehuis, de oprichter was toen net overleden. Na precies vijf dagen kreeg hij te horen: ‘Je bent een buitenlander, je kunt gaan.’ ‘Het was de tijd van de Algerijnse oorlog, ze waren niet dol op buitenlanders.’ Lacht: ‘Het salarisbriefje dat ik meekreeg heb ik altijd bewaard.’

Vanuit een dienstbodekamer in het huis van een comtesse, die hem ook inhuurde als kok en oppas, zette hij zijn eigen modepraktijk op. Hij kreeg een aantal rijke en beroemde vrouwen als klant, onder wie de filmsterren Greta Garbo, Claudette Colbert en Arletty. ‘Het was niet zoals nu’, zegt hij. ‘Ik moest me aanpassen. De klanten vertelden me wat ze wilden hebben en ik maakte dat.’

Voor Yves Saint Laurent zette hij een aantal jurken uit de beroemde Mondriaancollectie uit 1965 in elkaar. Hij werkte twee jaar voor de de mode-ontwerper Guy Laroche en later twee jaar voor ontwerper Thierry Mugler, deed opdrachten voor Cacharel en ontwierp een kleine collectie voor een bontmerk. Een waardevolle oefening in pasvorm waren de kostuums die hij maakte voor de stripteasedanseressen van de Parijse club Crazy Horse: de kleren moesten perfect blijven zitten, maar ook in twee seconden uit te trekken zijn.

Zijn doorbraak dankte Alaïa aan een opdracht eind jaren zeventig, van het Franse schoenenmerk Charles Jourdan, dat in die tijd ook kleding produceerde. Alaïa kwam met een kleine collectie, waarin onder meer een leren jas beslagen met zilverkleurige ringen en een tricot zwarte jurk met een grote rits. ‘Geen van de winkeliers wilde het inkopen, ze vonden het te agressief’, zegt hij. Maar Nicole Crassat, moderedacteur bij ELLE, was wel gecharmeerd. In 1980 hield Alaïa zijn eerste modeshow, in zijn eigen appartementje.

Bill Cunningham, die in die dagen al aan straatmodefotografie deed, maakte begin jaren tachtig een foto van Crassat en twee andere vrouwen die in de ontwerpen van Alaïa onderweg waren naar een modeshow. De foto werd over een dubbele pagina afgedrukt in het Amerikaanse modedagblad WWD. ‘In de jaren veertig was er de zwarte jurk van Balenciaga’, schreef Cunningham erbij. ‘Alaïa’s ontwerpen zullen de temperatuur van de jaren tachtig doen stijgen.’ Het Amerikaanse warenhuis Bergdorf Goodman wilde meteen bestellen. ‘Maar ik had geen geld om veel van die jassen te maken, dus begon ik met handschoenen en ceintuurs.’

Toen het warenhuis hem later wilde laten overkomen om er een show te geven, stelde hij onmogelijke eisen, in de verwachting dat de uitnodiging zou worden ingetrokken: bloemen voor hemzelf én voor voor zijn hond, tien eersteklas vliegtickets, twintig topmodellen. Er werd alleen op het aantal tickets beknot, en dus ging hij. ‘Alle kleren waren zwart, omdat ik geen geld had om meer kleuren stof te bestellen.’

najaar 2011najaar 2011

De mode van de jaren tachtig was groot en breed. Maar Alaïa bleef dicht bij het vrouwenlichaam. ‘Een studie van het lichaam’, noemt hij zijn mode – een gevolg van zijn opleiding tot beeldhouwer.

‘Ik kan me herinneren dat ik in die beginperiode een paar handschoenen van hem zag’, zegt Linda Spierings (51), in de jaren tachtig fotomodel. ‘Bij de meeste handschoenen zijn de vingers recht, maar hij maakte ze voor een hand in ontspannen toestand, met de vingers licht gebogen.’

Spierings ontmoette Alaïa begin jaren tachtig: zij had in die tijd net haar eerste Parijse shows gelopen, en fotograaf Arthur Elgort vond het een leuk idee haar samen te brengen met een andere ‘starter’, Alaïa dus. ‘Het klikte meteen tussen ons’, zegt Spierings, die tot de dag van vandaag bevriend is met de ontwerper en geregeld met haar gezin bij hem komt logeren. ‘Ik bleef vaak bij hem overnachten, in zijn oude atelier, dat heel klein was – soms lag ik op een stapel bontjassen. Hij heeft me geleerd naar kunst te kijken en Frans te praten. Dat laatste moest ook wel, want hij spreekt geen woord Engels.’

Spierings is niet het enige model dat een innige band heeft met Alaïa. Naomi Campbell woonde als beginnend model drie jaar bij hem in, en noemt hem tot op de dag van vandaag ‘papa’, de Amerikaanse Stephanie Seymour werd door hem ‘weggegeven’ aan de miljonair met wie ze nu in een bittere scheiding is verwikkeld. Ze droeg een jurk waaraan 1.600 uur was gewerkt. Vorig jaar weigerden Campbell en Linda Evangelista naar de opening van de tentoonstelling Het model als muze in het Metropolitan Museum of Art in New York te gaan, omdat er op de expositie geen aandacht werd besteed aan Alaïa.

Alaïa’s gezicht licht op als zijn favoriete modellen ter sprake komen. Seymour kwam begin dit jaar voor hem naar Parijs om te poseren voor een aan Alaïa gewijde modeserie in het Amerikaanse tijdschrift Flaunt, vertelt hij stralend. ‘Ondanks alle problemen die ze heeft; gewoon omdat ik het haar vroeg. Linda Spierings stopte op vrij jonge leeftijd, maar voor mij bleef ze shows doen.’

Najaar 2011Najaar 2011

Tina Turner in kort, zwart Alaïa op de cover van haar album Private Dancer, de modellen die gekleed zijn in zijn strakke coljurkjes in de videoclip van Robert Palmers Addicted to love en doen alsof ze een instrument bespelen, shows waar heel de wereld bij wilde zijn; in het midden van de jaren tachtig was Alaïa op het toppunt van zijn roem. Hij maakte in die tijd ook de legging populair, al waren zijn leggings van stevig materiaal mijlenver verwijderd van de dunne katoenen imitaties die al snel in goedkope winkels over de hele wereld lagen; lycra werd in die tijd nog niet op grote schaal gebruikt, Alaïa was een van de eersten die het stretchmateriaal verwerkte in mode.

Materiaal is altijd zijn grote kracht gebleven. Het beroemde stevige, niet pluizende, niet lubberende tricot van viscose of rayon met zijde, waarvan veel van zijn kleren zijn gemaakt, ontwikkelde hij samen met een Italiaanse fabrikant. Van Relax, een technomateriaal dat elektromagnetische golven tegenhoudt, maakte hij een niet rekkend tricot. Hij laat kantmotieven uit leer laseren, maar is, opmerkelijk genoeg, ook verknocht aan witkatoenen broderie. Dit najaar zijn er fluwelige breisels, fluweel dat zulke lange vezels heeft dat het bont lijkt, en vervilte wollen tricots.

Na de dood van zijn geliefde zus Afida, die hem was gevolgd naar Parijs en daar voor hem werkte, stopte Alaïa begin jaren negentig met het geven van modeshows. De acht jaar daarna werkte hij in zijn eigen tempo. Kleren werden niet aan het begin van het seizoen geleverd, maar als ze klaar waren. ‘Ik zie de zin niet van al die collecties’, zei hij in die tijd. ‘Vrouwen hebben toch altijd hetzelfde aan, vooral vrouwen die in de mode werken.’ Het gevolg was dat hij door de modepers vrijwel geheel werd genegeerd. Wel wijdde het Groninger Museum in 1997 een overzichtstentoonstelling aan hem.

Eind 2000 verkocht hij een deel van zijn bedrijf (maar niet zijn naam) aan Prada; hij had geld nodig om zijn archieven te bewaren en wilde zijn schoenen- en accessoirecollecties uitbreiden. Sindsdien voegt hij zich weer enigszins naar het systeem: hij levert zijn voorjaars- en najaarscollecties op tijd, al maakt hij in tegenstelling tot bijna alle andere luxemerken geen tussencollecties en heeft hij geen website. Vier jaar geleden gingen de zaken weer zo goed dat hij zijn bedrijf kon terugkopen van Prada – het Italiaanse bedrijf maakt nog altijd de tassen, riemen en schoenen voor hem – om later een overeenkomst te sluiten met de Richemont-groep, een conglomeraat dat ook eigenaar is van het modemerk Chloé en een aantal horlogemerken.

‘Je moet onderdeel zijn van een groep tegenwoordig’, zegt hij. ‘Anders kun je niet overleven. Als Dior en Chanel zich niet hadden aangepast, hadden ze ook niet meer bestaan. Maar mijn hoofd is vrij gebleven. Als ik op een dag wakker word en geen zin meer heb, stop ik meteen.’

In het Groninger MuseumIn het Groninger Museum

Dat wil niet zeggen dat hij blij is met de manier waarop de mode tegenwoordig functioneert. ‘Vroeger’, zegt Alaïa ronduit, ‘was het beter. Zoals ik begon, vanuit mijn eigen appartement, dat bestaat nu niet meer. En er is te veel druk, er zijn veel te veel shows. Ontwerpers moeten minstens vier collecties per jaar maken, terwijl het een half jaar kost om een goed, nieuw silhouet te ontwikkelen. Journalisten, inkopers, stylisten en fotografen vliegen van Londen naar New York naar Milaan en Parijs. Ze hebben geen privéleven, en geen tijd een eigen toon te vinden, na te denken over een nieuw beeld, om interessante foto’s te maken. Het ontbreekt aan creativiteit. Zelden zie je nog iets dat echt fris is.’

Waarschijnlijk is het juist die opgejaagdheid van het systeem die Alaia goed doet. Er is steeds meer belangstelling voor doordachte, tijdloze, stijlvaste mode zoals Alaïa die maakt. ‘Nou ja, ik ben natuurlijk niet de eerste die trouw blijft aan zijn eigen silhouet’, zegt hij. ‘Chanel deed dat al. Maar ik vind Chanel niet meer zo goed als het was onder Coco Chanel zelf.’

Zijn er ontwerpers van nu die hij wel interessant vindt? ‘Ik vind het knap wat Nicolas Ghesquière doet voor Balenciaga. Hij heeft een eigen hand, een eigen stijl.’ Is dat de enige? Het blijft lang stil. ‘Lanvin is goed gedaan.’ Weer een stilte: ‘En Rei Kawakubo van Comme des Garçons, haar bewonder ik ook. Nou, dat lijken me genoeg namen.’

De kleren van Alaïa worden in Nederland verkocht bij Ennu in Amsterdam en Kiki Niesten in Maastricht. Schoenen onder meer bij Paul Warmer (Amstelveen, Amsterdam, Den Haag).

Copyright de Volkskrant

 

 

    • Milou van Rossum