Drie sterren voor het drama van de vermoorde onschuld

De verhoren van de commissie-De Wit over de financiële crisis zijn drama van de bovenste plank. Kester Freriks keek ernaar met de blik van de theaterrecensent.

Het zijn wanhoopsgebaren van Neelie Kroes tijdens haar optreden in de Enquêtezaal van de Tweede Kamer. Maar zijn de gebaren gespeeld? Als een volleerd actrice zet ze beproefde, theatrale middelen in. Je vraagt je meteen af: welke toneelschool heeft ze gevolgd?

Ze gooit het hoofd los. Haar kapsel zit strak als een helm, geen lok beweegt. Ze heft haar handen en verzucht: „Ik herinner het me niet.” Haar expressie is afwerend, haar mond gaat op slot.

Ik denk aan een beroemde regel uit Shakespeares Hamlet: „Something is rotten in the state of Denmark.” Ook in Nederland leek iets verrot: het land staat aan de rand van de afgrond, banken bijna bankroet.

Kroes’ tegenspeelster, commissielid Roos Vermeij, beweegt ongeduldig met haar handen. Ze buigt zich naar voren terwijl Neelie Kroes juist achteruitdeinst en zich in haar zwarte zetel verschanst. Vermeij zet al haar talent in om het beslissende antwoord te krijgen op de vraag of ze de crisis had voorzien. De dialoog stokt. Er valt een ijzige stilte. Ik kan haar gedachten lezen: „Kom op mens, wees eerlijk, verschuil je niet achter dat starre masker.” Maar Vermeij houdt zich in. Ik wil voor haar applaudisseren, maar dat is verboden.

De afgelopen tien dagen keek ik in de Enquêtezaal naar de verhoren van de commissie-De Wit, die onderzoek doet naar de financiële crisis van 2008.

Voorzitter De Wit beschouwde ik als regisseur, de commissieleden en de gedaagden als acteurs. Ik beoordeelde de hoofdrolspelers met de blik van de theaterrecensent die ik ben. De Enquêtezaal van de Tweede Kamer als plaats van handeling, aan het Plein. In het hart van politiek Den Haag. De suppoosten zijn gewapende bewakers.

De protagonisten die optreden hebben een land in zwaar weer gebracht. In de gang naar de theaterzaal hangt een kunstwerk, bestaande uit 1.757 koperglimmende eurocenten die samen de woorden vormen: „Jullie zijn er voor ons!” Aan Neelie Kroes is de hartenkreet, gemaakt door kunstenares Lisette van Dommelen, niet besteed. Zij beroept zich op haar verschoningsrecht, wat betekent dat ze geen enkel antwoord hoeft te geven. Koele ondoorgrondelijkheid is een krachtig wapen in dit politieke theater.

Toeschouwers volgen de verhoren van het eerste balkon. Helwit licht, theaterlicht, valt op de speelvloer. Het decor bestaat uit een lange tafel met zes zwarte zetels. Als de tronen van de goden in een klassiek drama. In het midden van het decor neemt de gedaagde plaats achter een tafel. De bode brengt koffie en water. Griffiers schrijven de antwoorden uit.

Dit is de vaste setting van de financiële tragedie: één getuige tegenover zes ondervragers. Twaalf ogen bespieden de getuige, urenlang. De partij der ondervragers wil voor alles eerlijkheid en openhartigheid. Zij stemmen hun gebarentaal daarop af. Ieder op zijn eigen manier. Neem commissielid Maarten Haverkamp. Hij maakt uitnodigende gebaren, alsof hij de verklarende antwoorden naar zich toe wil trekken. En in veel gevallen moet dat ook.

Hoewel de ondervraagden onder ede staan is moeilijk vast te stellen of een getuige liegt, of, zoals Neelie Kroes, informatie weigert te verstrekken.

In het toneelrepertoire komt het verhoor veelvuldig voor. Altijd gaat het erom dat een schuldig geacht personage zijn onschuld moet bewijzen. Mijn geliefde held in dit genre is de aartsoplichter en schurk Richard III, titelheld uit Shakespeares gelijknamige tragedie. Het probleem met deze Richard is: hij is zo intens slecht, dat hij op duivelse wijze sympathie weet te wekken.

Wie is de Richard III uit dit kapitaaldrama? Ik kijk naar topambtenaar Bernard ter Haar en betwijfel of hij een Richard is. Hij spreekt helemaal in de taal van Shakespeares slechte held: „We hebben gewerkt aan iets dat een afgrond blijkt te zijn. Ondertussen hebben we zoveel afgronden gecreëerd dat wij er wel in móésten vallen.” Ter Haars dictie is zelfverzekerd. Hevige gebaren met de linkerhand ondersteunen de tekst. Hij palmt zijn gehoor in door te wijzen op het noodlot, dat de hele spelersgroep overviel: „De crisis overviel ons.” Deze uitspraak is het refrein van deze marathonvoorstelling: alle protagonisten zingen het. We hebben het niet voorzien. Het is ons overvallen. En wij, burgers aan de zijlijn, dachten juist dat we hoogwaardigheidsbekleders hadden aangesteld om ons voor gevaren te behoeden. Zelfs deze goden waren niet tegen overmacht bestand.

Wie is dan de Richard III van de kapitaaltragedie? Is het topman Gerrit Zalm? Nee, die zegt dat ons land iets „leuks” had moeten doen terwijl de rampen zich aandienden. Exit Zalm. Is het Wim Kok? Helaas, die acteert als een briefopbrenger. Onno Ruding dan? Nee, ook niet. Hij heeft geen idee van kwade machten en maakt van de tragedie een poppenspel.

We kijken uit naar de entree van Nout Wellink van De Nederlandsche Bank. Gaandeweg ontwikkelt hij zich net als Ter Haar tot een verbluffend ongrijpbaar personage. Hij buigt zich voorover. Wij toeschouwers, kijken tegen achterhoofd, nek en rug van de getuigen aan. Zo’n rug spreekt: bij Wellink is die massief en onverzettelijk. Hij houdt zijn handen vroom als een misdienaar gevouwen.

Fatma Koser Kaya buigt zich naar voren. Haar ogen branden van vuur. Haar stem schiet de hoogte in als ze Wellink vraagt: „Waarom heeft u de ramp die ons land trof niet voorzien?” Wellinks timbre daalt een octaaf en met donkere stem verzucht hij, Koser Kaya recht aankijkend: „Mevrouw, de wereld was onzeker en de financiële materie is weerbarstige materie. Er stonden niet vier potjes op het vuur zoals bij mij thuis, maar honderden potjes stonden op evenzoveel vuurtjes te branden.”

Wellink glorieert in de rol van de tovenaarsleerling die worstelt met weerbarstige materie. De beeldspraak van vier eenzame gaspitjes bij hem thuis is overtuigend. Hij doet een beroep op de emoties van zijn tegenspeelster. Er ontwikkelt zich een gewaagde dialoog.

Koser Kaya: „Was de Nederlandse financiële situatie gezond?”

Wellink: „Wat gezond is waggelt en kwaakt en snatert.”

Koser Kaya: „Werd er gewaggeld, gekwaakt en gesnaterd?”

Wellink: „Nee.”

Hij is in de val getrapt van zijn eigen metafoor. Haar vraag is listig, haar gestiek doeltreffend. Vinnig tikt ze met haar pen op het tafelblad. Ik moet me ervoor hoeden geen medelijden met Wellink te krijgen, dat is niet de bedoeling van dit drama. Naast het pontificale optreden van Wellink acteert Wouter Bos het meest oorspronkelijk. Hij is zeker niet de Richard III van dit kapitaaldrama. Ik kies een andere plaats in de zaal, meer aan de zijkant, en bestudeer Bos’ mimiek. Hij peinst. Tuit de lippen. Slaat de handen voor de ogen. Denkt nadrukkelijk na, denkgroef op het voorhoofd. Al heeft hij zich terdege op zijn rol voorbereid, er vallen toch gaten in de tekst. „U moet beseffen, ik leidde drie levens tegelijkertijd”, geeft hij met wanhoop in zijn stem toe op de vraag of hij de ernst van de crisis niet te laat heeft onderkend. Bos draait nerveus op zijn stoel, als enige.

Bos wint mijn sympathie. Als acteur toont hij naturel, maar je weet natuurlijk ook weer niet hoe gemeend zijn openhartige spel is. Hij lijkt zich als enige bewust van zijn mogelijke falen, en daartoe neemt hij alle verantwoordelijkheid: „Anders had ik niet voor u durven verschijnen. U zoudt mij grillen.” De commissie-De Wit stelt hem gerust: „We zijn niet zo van de grillbrigade.”

De glimlachen over en weer verstarren als Jan Peter Balkenende opkomt. Met zijn jongensachtige postuur en parmantige gebarentaal wekt hij de indruk zo onschuldig als een leerlingtoneelspeler te zijn. Hij gaat op de punt van de stoel zitten, benen gekruist. „Een ramp van deze ongekende omvang heeft niemand voorzien”, is het eerste wat hij al te gedecideerd zegt, alsof hij de tekst gisternacht nog voor de spiegel heeft geoefend. „Niemand kon ons helpen of de weg wijzen. Het was pionieren in Europa.”

Elke speler beseft dat hij of zij een cruciale rol speelt. Er zijn geen doden gevallen, er rollen geen koppen, zoals in Hamlet of Richard III. Niemand is schuldig. Dat is door de spelers goed geacteerd. Maar het is onheus. Als niemand schuld heeft, dan zou er geen geldelijke tragedie zijn geweest. En die voltrok zich juist wel.

Eén oorzaak lijkt dat regisseur De Wit zijn spelers te veel spaarde. In een kapitaaldrama moeten, net als in een koningsdrama, slachtoffers vallen. Omdat de waarheid moet zegevieren. Zover durfde niemand te gaan. Ze zijn te bang het spel ten volle te spelen. Ik geef drie sterren, met uitzondering van Wouter Bos. Die krijgt er vier. Vanwege zijn onvoorwaardelijke inzet als acteur.

kester freriks

    • Kester Freriks