De chef zal eraan moeten geloven

Hedda Martens: Op dit uur van de dag. Querido, 193 blz. €14,95

Philip Boode, de aimabele en o zo ‘aangepaste’ hoofdpersoon van Hedda Martens’ tweede roman Op dit uur van de dag, werkt al vijftien jaar op een verzekeringskantoor in een betonkolos aan de snelweg. Hij houdt van zijn werk omdat alles zichzelf wijst en hij, zonder erbij te denken, onderdeel is van een structuur. Thuis is hij overgeleverd aan zichzelf, aan de chaos van zijn herinneringen en gedachten die alleen maar om hemzelf draaien en hem voortdurend confronteren met gêne over zijn bestaan. Vrije tijd ervaart hij als inspanning, het kantoor als vakantiebestemming.

We kennen dit soort op het oog saaie maar in werkelijkheid complexe figuren uit het eerdere werk van Hedda Martens, een pseudoniem van Henriette Plantenga (1947). In haar verhalenbundels Sjibbolet en andere verhalen (1982), Een naald op het water (1992) en Iemandsland (2005) draait het steeds om overgevoelige mensen die opgesloten zitten in hun eigen, minutieus beschreven denkwereld. Ook in haar eerste roman, De postbode (2008), zijn de personages gefascineerd door de vraag wie zij zijn en hoe dat eigenlijk kan worden vastgesteld. Hedda Martens is een groot stilist maar geen gewiekste verteller. Haar verhalen spelen zich voornamelijk af in de binnenwereld van de personages. Bij gebrek aan verwikkelingen, kan dat nogal langdradig uitpakken.

Op dit uur van de dag is als kantoorroman de volmaakte tegenhanger van Voskuils meeslepende Het Bureau, waarin waarin we jaar in jaar uit meebeleven hoe afdelingschef Maarten Koning en zijn eigenaardige collega’s zich tot elkaar verhouden. Philip Boode vertelt niets over zijn kantoorgenoten, alles speelt zich af in zijn eigen hoofd. ’s Avonds, als de onopvallende kantoorklerk zich thuis in zijn verstelbare stoel ligt te bezuipen en aantekeningen maakt in zijn notieboek, geeft hij zich over aan zelfdestructieve hersenspinsels.

Het is van een grote eentonigheid, maar toch weet Hedda Martens er een zekere dramatische spanning in te brengen. Zo komen we er al vrij snel achter dat Philip, als hij zijn tijd gekomen acht, zelfmoord wil plegen. De plek, een uitgestrekt loofbos en het seizoen, lente, heeft hij al uitgezocht, de middelen liggen klaar in zijn badkamer. De brief waarin hij kond zal doen van zijn definitieve verdwijning, ligt te wachten in een kluis. Zijn reislustige, empathische vriendin Jeanine denkt hem weliswaar in alles te begrijpen, maar weet hier niets van. Zij vindt Philip hooguit een beetje excentriek, maar omdat zij, anders dan de lezer, niet in zijn hoofd kan kijken, heeft ze niet in de gaten dat hij voortdurend op de rand van een psychose balanceert.

Blijkbaar heeft Martens, weinig origineel, bij de beschrijving van Philip Boode de biografie van Kafka voor ogen gehad, die eveneens werkzaam was op een verzekeringskantoor en in zijn vrije tijd zijn gekmakende fantasieën optekende. De ervaringen van Philip laten zien wat de geschiedenis geweest zou kunnen zijn van Gregor Samsa uit Die Verwandlung voordat hij meende in een kever te zijn veranderd.

Het proces van onthechting, depersonalisatie en dissociatie dat Boode doormaakt, wordt net als bij Samsa getriggerd doordat zijn werk geen veilige haven meer is. Zijn chef heeft een controleur aangesteld die de gewerkte uren van de werknemers kwantificeert en Boode het gevoel geeft dat hij eruit gewerkt wordt. Het ergst van alles is dat hij zich onder die druk gaat gedragen als ‘slijmbal’, ‘meeloper’ en ‘zwatelaar’ en zich vervolgens doodschaamt over dit ‘verraad’. In deze omstandigheden lukt het hem nauwelijks meer om op kantoor zijn gekte verborgen te houden. Zoals Samsa, tot wanhoop van zijn ouders, niet meer naar zijn werk kan, zo zit Boode noodgedwongen thuis nadat hij op kantoor onderuit is gegaan. Tot overmaat van ramp komt zijn gehate chef (net als Samsa’s werkgever) poolshoogte nemen.

Gedurende het hele verhaal geeft Boode signalen af dat hij mogelijk aan wanen lijdt, zodat het niet duidelijk is of wat hij zich allemaal inbeeldt ook werkelijk gebeurt. Zeker is dat de al dan niet aan zijn fantasie ontsproten gewelddadige wraak op zijn chef hem een ongekend gevoel van ruimte geeft: ‘Grootse, geweldige ruimte, waarin hij diep ademt, opstaat, de gordijnen wijd opendoet. In de verte de goudenregen, uitbundig.’ Het juiste seizoen dus voor de daad die eindelijk evenwicht zal brengen ‘tussen hemzelf en de wereld: een vredig en definitief besef, geleidelijk wegebbend onder het groen.’

Naar dat moment werkt de roman toe: traag en stroperig op het eerste gezicht, maar alsnog spannend zodra de strekking zich openbaart. Het is de hallucinerende taal waarin het drama gestalte krijgt, die Op dit uur van de dag voor geduldige lezers tot een klein wonder van beklemmende schoonheid maakt.

    • Elsbeth Etty