'Ze is een museum- directeur...

Ann Goldstein werd directeur van het Stedelijk Museum wegens haar reputatie in de VS. In Neder-land heeft ze nog niet iedereen overuigd.

Er klonk applaus, twee weken geleden, nadat Ann Goldstein een paar zinnen in het Nederlands had gesproken. Ze deed dit ter ere van de onthulling van de nieuwbouw van haar museum, dat ergens volgend jaar wordt heropend.

Het is een van de punten waarop Goldstein wordt bekritiseerd als directeur van het belangrijkste museum voor moderne en hedendaagse kunst in Nederland: ze spreekt geen Nederlands. Ze is de taal aan het leren, maar lang niet iedereen weet dat. En dat geldt voor meer van wat ze doet: het is niet voor iedereen zichtbaar. Kunstverzamelaar Christiaan Braun, in het verleden gastconservator bij het museum, schreef vorige maand in deze krant dat de Raad van Toezicht moet aftreden, omdat deze toelaat dat de directeur er „nergens in het openbare domein blijk van geeft te weten welk Stedelijk Museum haar voor ogen staat”.

Wat doet Ann Goldstein en hoe doet ze het? Om daar achter te komen spraken we met zo’n dertig mensen uit de kunstwereld, onder wie zijzelf. Daaruit komt het beeld naar voren van een vakvrouw die hard werkt, veel op reis is, en die vindt dat haar werk voor zich moet spreken. Show, don’t tell, zou haar devies kunnen zijn. Het leidt tot de kritiek dat ze te weinig warmte en visie uitstraalt en dat ze het Stedelijk meer naar buiten moet vertegenwoordigen – zeker nu het gesloten is.

Dat vindt bijvoorbeeld David de Goede, kunstliefhebber en oprichter van Corporate Casting, een bedrijf dat hoger personeel zoekt voor onder meer culturele instellingen. „Inmiddels hadden we van die vrouw moeten houden omdat ze zich als Jeanne d’Arc opstelt. Maar waar staat ze voor en waar gaat ze voor?”

Anderen, die dichter bij haar staan, zien dat anders. Advocaat Maurice van Valen schonk het Stedelijk dit jaar 63 werken uit zijn privécollectie, om het museum en Goldstein – die hij kent uit de tijd dat hij in de Verenigde Staten woonde – te steunen. „Het lijkt of de lat voor Ann hoger ligt dan voor andere museumdirecteuren”, zegt hij. „In de VS wordt door kunstenaars, verzamelaars en mensen uit de museumwereld met grote achting over haar gesproken. Ik ken haar als open en genereus.”

De Amsterdamse wethouder Carolien Gehrels (Cultuur, PvdA) ontmoet Ann Goldstein ongeveer eens per maand, afgelopen maandag nog op het stadhuis. „Ze heeft een scherpe blik op Nederland”, zegt Gehrels, „in combinatie met iets relativerends. Ze is gedreven, standvastig en overtuigend.” Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum, roemt haar talent als conservator. „Dat zag je aan de twee tentoonstellingen die ze in het Stedelijk heeft georganiseerd. En ik vind haar initiatief om met lezingen en andere activiteiten meer discussie in het museum te brengen ook heel goed.”

Directeuren van kunstinstellingen in Amsterdam waarmee ze samenwerkt zijn al even positief. Els van Odijk, directeur van de Rijksakademie, noemt haar „plezierig, inhoudelijk goed”. „Soms straalt ze een geslotenheid uit. Terwijl ze ook heel open kan zijn.” Ann Demeester, directeur van kunstinstelling De Appel, vindt haar een „aimabele persoon, zeer inhoudelijk en heel nieuwsgierig”.

Van de medewerkers in het museum die we benaderden wil alleen zakelijk directeur Patrick van Mil in de krant geciteerd worden. Hij noemt de samenwerking met haar „buitengewoon plezierig”. „Ze is een perfectioniste die goede, kritische vragen stelt, de lat hoog legt.”

Sommige museumdirecteuren weigeren zich uit te spreken. Wim Pijbes van het Rijksmuseum wil dat wel. Hij heeft ervaring als directeur van een jarenlang (deels) gesloten museum. Dat je gebouw je wordt ontnomen, zegt hij, is het ergste wat je als museumdirecteur kan overkomen. „En dan wordt er ook van alle kanten aan je getrokken en geduwd. Het is een hell of a job.” Hij vindt: ze heeft nu steun nodig.

Goldstein staat bekend als mediaschuw. Ze geeft interviews, maar trekt grenzen waar ze over wil praten. Geen uitgebreide visie op het museum, niet over de interne organisatie en zeker niet over haar privéleven. Dat ze zich zo op de vlakte houdt, draagt bij aan het beeld dat ze geen visie zou hebben. Ze zegt keer op keer dat haar prioriteit ligt bij de heropening.

Concreet organiseerde ze twee exposities, die samen elf maanden te zien waren en 223.000 bezoekers trokken. Voor het eerst in zes jaar was het museum open. Toch was dat niet genoeg om de indruk van een gesloten instelling weg te nemen. „Het Stedelijk is een vrij in zichzelf gekeerd instituut”, zegt Tijmen van Grootheest, directeur van de Gerrit Rietveld Academie en van 1976 tot 1980 hoofd communicatie van het Stedelijk. „Maar wat wil je, ze zitten in Sloterdijk.”

Weinig uitnodigend is ook de website van het museum, met als eerste zin: ‘Het museum is gesloten’. De terughoudende aanpak van Goldstein staat in contrast met hoe de directeur van die andere instelling in verbouwing, het Rijksmuseum, het aanpakt. Pijbes heeft als mediabeleid iedere week in het nieuws zijn met „een tsunami aan positieve berichten”. Om de voortgang van de verbouwing van zijn museum te tonen, nodigt hij geregeld de pers uit. Toen vorige maand de gerestaureerde mozaïekvloer in de Voorhal werd onthuld, was er eerst een bijeenkomst voor de pers en daarna voor sponsors. Toen een week later de gevel van het Stedelijk werd onthuld, was er een bijeenkomst voor geldgevers en bestuurders.

De museumdirecteur

Alexander Ribbink, voorzitter van de Raad van Toezicht, reageert fel op alle „borreltafelpraat” over Goldstein. „Ze is een museumdirecteur, geen pr-directeur. Ze komt vanuit de inhoud. Ze is er voor de kunstenaars en voor het publiek. Vergeet niet: zij heeft het museum opengegooid.” Hij geeft aan hoe lastig het is het Stedelijk weer op de rails te zetten. „Als een museum zo lang dicht is, heb je hoofd en hart nodig om het een ziel te geven. Dat heeft Goldstein. Ze bouwt aan relaties om het museum weer levend te krijgen. Er zijn weinig anderen die dat beter zouden kunnen. Daarom hebben wij haar gevraagd. Ann is benoemd om een museum te runnen, niet een bouwput of een tijdelijk outlet.”

Yoeri Albrecht, directeur van debatcentrum De Balie en lid van de Raad van Toezicht: „We hebben haar niet benoemd om haar vlammende betogen, maar om haar vlammende exposities.” Maar hij beaamt dat er „bij het pr-beleid wel wat concreter kan worden opgetreden”.

Volgens Ann Demeester is er „een beetje sprake van een heksenjacht”. „Ze is niet publieksschuw en zeker niet de afstandelijke ijskoningin die ze in de beeldvorming is. Als je in de media verschijnt moet je iets te zeggen hebben, is haar idee.” Martijn Sanders, voorzitter van de Vereniging Rembrandt en bevriend met Goldstein, zegt dat deze een bewuste koers vaart waarbij ze niet zelf in de aandacht staat. „Ze is vooral inhoudelijk gedreven en houdt niet van de poespas eromheen. In die voorkeur is ze heel direct.”

Volgens Patrick van Mil heeft zijn mededirecteur goede redenen om haar plannen nog voor zich te houden. „Het is niet wijs om met tentoonstellingsplannen naar buiten te komen nadat je hebt ervaren dat die schema’s twee of drie keer moesten veranderen door vertraging in de bouw. Zo simpel is het.”

Toch vindt marketing- en communicatiedeskundige Julienne Straatman, die advies geeft aan kunstinstellingen, dat Goldstein meer in het openbaar moet treden. „Het Stedelijk heeft tegenslag op tegenslag, daar kan ze niets aan doen. Maar de directeur moet wel optreden als reputatiemanager. Iedereen vraagt zich af wat het programma wordt en wat de koers zal zijn. Tell it! De Raad van Toezicht heeft bij de benoeming misschien te veel een profiel gekozen op inhoud.”

Hester Alberdingk Thijm, directeur van de Akzo Nobel Art Foundation, vindt eveneens dat het pr-beleid beter moet, anders trekt het museum geen sponsors. „Het beeld dat het Stedelijk Museum naar buiten brengt, is communicatief niet sterk. Daardoor bestaat twijfel bij sponsors. Het museum is al jaren dicht, in zo’n geval moet je juist ongelooflijk sterk zijn in je communicatie naar buiten.”

De netwerker

Volgens Ann Demeester van De Appel heeft Goldstein de afgelopen twee jaar wel degelijk gewerkt aan haar relaties in Nederland. Ze sloot samenwerkingsverbanden met kunstinstellingen als De Appel, de Rijksakademie, De Ateliers en W139. In de tijd dat het Stedelijk dicht is, worden gezamenlijk programma’s aangeboden: lezingen en discussies, films, muziekoptredens en presentaties van kunstenaars. Ook met het Concertgebouw en de Universiteit van Amsterdam bestaan plannen voor samenwerken. „Het Stedelijk onder Goldstein gelooft in samenwerking. Met het museum als een basis en andere instellingen als satellieten er om heen”, zegt Demeester.

„In kunstenaarskringen is Ann Goldstein heel zichtbaar”, zegt Dominic van den Boogerd, directeur van De Ateliers. Hij vindt haar een verademing. „Er is een tendens om het publiek op de eerste plaats te stellen.” Ann Goldstein brengt regelmatig bezoeken aan zijn instituut, dat zich richt op de vorming van jonge kunstenaars. „Ze schuift aan bij lezingen. En ze praat met kunstenaars.”

Dat Goldstein de kunstenaar centraal stelt, is niet verwonderlijk. Ze deed een opleiding schilderen en beeldhouwen aan UCLA, de University of California.

Els van Odijk van de Rijksakademie vertelt hoe ze Goldstein laatst tegenkwam in een restaurant. „Ze zat er in een gezelschap met Pierre Audi en John Snijders van het Ives Ensemble. Ik was er met onder anderen enkele kunstenaars. Ann kwam meteen naar ons toe en stelde ons aan het gezelschap voor. Ze kende het werk van de kunstenaars, Persijn Broersen en Margit Lukácz, en ze wist dat hun werk in de collectie van het Stedelijk zit.” Goldstein bezocht twee weken geleden de open dagen van de Rijksakademie. Van Odijk: „Niet even snel, maar rustig en geconcentreerd. Buitengewoon geïnteresseerd in de kunstenaar zelf.”

Uit de galeriewereld klinken tegengestelde geluiden. Galeriehouder Willem Baars zegt dat hij Goldstein nauwelijks tegenkomt. „Ze is niet goed in het signaleren van nieuw talent, wat niet verwonderlijk is voor een kunsthistoricus die haar blik naar het verleden heeft gericht.” Dat is niet de ervaring van Annet Gelink. „Ze komt altijd naar onze exposities. Maar op de diners komt ze nooit. Ze voelt zich beter op haar gemak bij kunstenaars, ze is ook met een kunstenaar getrouwd.”

De publieke figuur

In het publieke debat mengt Goldstein zich minder dan andere museumdirecteuren. Het Stedelijk organiseerde deze zomer wel een debat over de bezuinigingen, waar ze sprak. Maar tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer vorige maand liet ze zich vertegenwoordigen door zakelijk directeur Van Mil. Die sprak ook namens het museum tijdens het debat in de Amsterdamse gemeenteraad over het Kunstenplan van Gehrels, twee weken geleden. „Dat is onze taakverdeling”, zegt Van Mil. „Ik doe de Nederlandse subsidierelaties. Ann is de artistiek directeur en het internationale gezicht naar buiten.”

„Ik vind haar minder zichtbaar dan ik zou willen”, zegt Marja Ruigrok, gemeenteraadslid in Amsterdam namens de VVD. Ze vindt wel dat Goldstein „met hartstocht” de boodschap overbrengt dat het museum weer open moet. Marijke Shahsavari van het CDA hoopt dat Goldstein snel goed Nederlands leert spreken. „Het Stedelijk is voor alle Amsterdammers en die spreken niet allemaal Engels.”

Over de kritiek dat Goldstein niet zichtbaar genoeg zou zijn, zegt de Amsterdamse cultuurwethouder Gehrels: „Ze heeft echt haar eigen manier, ook in de verhouding met de stad. Ze richt zich in de eerste plaats tot professionals, liefhebbers van kunst en internationale verzamelaars. Ze verdient de ruimte om dat te ontwikkelen.”

De personeelsmanager

Hoe Goldstein het doet in relatie met haar personeel, is moeilijk te achterhalen. Volgens verscheidene bronnen dichtbij het museum is er onvrede bij medewerkers, maar niemand wil daarover met naam worden geciteerd. „Goldstein is vaak op reis, en als ze er wel is, is ze niet altijd het zonnetje in huis”, zegt een oud-medewerker. „Het personeel miste een visie die richting kan geven aan zijn werk. Daar is bij haar op aangedrongen.” Er zijn ook medewerkers die zeggen dat ze zeer tevreden zijn.

Wat opvalt, is dat een aantal naaste medewerkers het afgelopen jaar vertrok. Yolande Melsert, die een afdeling sponsor- en fondsenwerving opzette, ging al een jaar nadat ze bij het museum was gekomen weg, volgens eigen zeggen omdat er „geen match” was. Verder wil ze er niet op ingaan. Daarnaast vertrok Marjolijn Bronkhuyzen, vijf jaar hoofd marketing en communicatie. Zij geeft geen toelichting. Aan het personeel werd bij haar vertrek de verklaring gestuurd dat directie en Bronkhuyzen concludeerden „dat zij voor de toekomst van het museum niet het beste team zijn.”

Al na twee maanden in functie vertrok de persoonlijk assistent van Goldstein, Ken Gould. Hij is, zoals de vacature vereiste, een ‘native speaker American English’ – een voorwaarde waarover ophef was. Gevraagd naar de reden van zijn vertrek, antwoordt Gould: „Ik heb met veel plezier bij het Stedelijk gewerkt, maar kort na mijn aantreden kreeg ik de mogelijkheid om directeur te worden van een nieuw cultuurfonds, Kunstenisrael. Zowel Ann als de rest van het managementteam was zeer begripvol en snapte dat ik deze kans niet voorbij kon laten gaan.”

Goldstein wil niet ingaan op de interne organisatie. Alexander Ribbink zegt: „Als een organisatie verandert, vertrekken er altijd mensen.” Volgens Martijn Sanders is het een oud probleem. Hij bracht in 2003 een advies uit over de toekomst van het Stedelijk Museum. „Wij troffen een organisatie aan die verwaarloosd was. De mensen wisten niet echt wat ze moesten doen. Wij hebben toen gezegd: hier moet de bezem doorheen. Dat leidt onvermijdelijk tot conflicten, gekonkel en vriendjespolitiek.”

De visie waar om werd gevraagd heeft Goldstein inmiddels op papier gezet. „Het is een heel diep, prachtig stuk voor haar en haar medewerkers”, zegt toezichthouder Ribbink. Maar hij vindt het, net als zij, geen stuk om mee naar buiten te treden. „Het is een werkdocument voor de organisatie.”

De tentoonstellingmaker

Ann Goldstein zegt het vaak: ze wil worden beoordeeld op wat ze doet. Haar meest zichtbare daad is het heropenen van het museum, een half jaar na haar komst in 2010. Toen deze zomer duidelijk werd dat het weer dicht moest, maakte ze zich er hard voor het zo lang mogelijk open te houden. Yoeri Albrecht: „Iedere maand heeft ze bevochten.” Dat bevestigt wethouder Gehrels. Goldstein maakt zich volgens Albrecht ook hard voor gastvrijheid jegens de bezoekers van de museum. „De suppoosten hebben allemaal een cursus gevolgd.”

De tentoonstellingen The Temporary Stedelijk 1 en Temporary Stedelijk 2 werden door Nederlandse critici redelijk goed ontvangen, met name de tweede. In een artikel in het gezaghebbende Amerikaanse tijdschrift Artforum werd de eerste expositie uitgroepen tot de beste van het afgelopen jaar. Maar hier wordt Ann Goldstein niet altijd begrepen. Bij de eerste tentoonstelling liet ze bewust zalen leeg om bezoekers de kans te geven herinneringen op te halen aan hun favoriete ruimtes. Ze liet conceptuele kunstenaars het ‘gesprek met de ruimte’ aangaan. Sommige recensenten vroegen zich af of het museum niet de aansluiting mist met wat er nu gebeurt.

Over Temporary 2 waren critici beter te spreken. Vooral de erezaal met topwerken uit de collectie van onder anderen Matisse, Klein, Malevitsj en Mondriaan, kon rekenen op groot enthousiasme. „Hier valt geen weerstand aan te bieden”, juichte Hans den Hartog Jager in deze krant. „Het Stedelijk heeft zijn wortels terug.” Tegelijk vonden de critici dat ze zich te véél vastklampte aan het verleden, want het Stedelijk keek onder de titel ‘Recollections’ terug op roemruchte exposities uit het verleden. Den Hartog Jager: „Het wordt nog spannend om te zien hoe deze directeur zich tot het heden gaat verhouden.”

Ook uit de aankopen onder haar verantwoordelijkheid blijkt haar belangstelling voor het verleden. In 2010 was één van de grootste aankopen de installatie van Ger van Elk, Study for Apparatus Scalas Dividens, een werk uit 1968. De één ziet in die aanschaf van werk van een cruciale kunstenaar uit de jaren zestig een teken dat het Stedelijk de ambitie om een hedendaags museum te zijn heeft opgegeven. Ann Demeester noemt het juist een „belangrijke corrigerende aankoop”, die een gat vult in de collectie. Verder kocht Goldstein onder meer werk van Rineke Dijkstra en Aernout Mik en, internationaal, van Thomas Struth en Paul McCarthy. Bij de aankopen die dit jaar zijn gedaan zit veel recent werk, bijvoorbeeld van Willem de Rooij en Navid Nuur.

Na de eerste twee jaar is de balans van Ann Goldstein als volgt samen te vatten: ze heropende het museum, maar ze wist het nog niet te openen in de geesten en harten van de mensen. Dat laatste is juist wat ze wil, zegt ze. Dat zal, zeker tot aan de opening volgend jaar, een meer publiek zichtbare directeur vereisen.

    • Claudia Kammer
    • Birgit Donker