Mick en Bono zijn hier niet voor het wegennet

Beter nog dan Zwitserland, zo komt Nederland uit de bus als vestigingsland voor internationale bedrijven in een onderzoek van accountantsconcern Deloitte. Dat is niet nieuw: de uitkomst rolt uit talloze onderzoeken. Nog vorige week, toen premier Rutte een bezoek bracht aan de Amerikaanse president Obama, kwam Buitenlandse Zaken met een lofzang op de Nederlands-Amerikaanse betrekkingen. Meer dan 1.700 Amerikaanse bedrijven kiezen er volgens het aangehaalde rapport voor hun Europese hoofdkantoor in Nederland te vestigen. Ze profiteren daarbij van de strategische positie van Nederland als ‘gateway’ naar Europa, de goed opgeleide en meertalige bevolking en het uitstekende netwerk van infrastructuur.

Al deze redenen zijn natuurlijk goed voor ons zelfbeeld van hoog opgeleide en juichend bereikbare wereldburgers aan de poort van het continent. Maar er is natuurlijk één allesoverschreeuwende reden waarom men zich in Nederland vestigt, en die is niet zo heroïsch. Iedereen die een beetje op de hoogte is, kent deze olifant in de kamer: het is de fiscus, stupid.

Nederland heeft een uitgebreid netwerk van belastingverdragen met andere landen. Het heeft een belastingdienst die bereid is vooraf een uitspraak (een ruling) te doen over voorgestelde fiscale constructies. En het heeft de vermaarde ‘deelnemingsvrijstelling’. Als een moederbedrijf een deelneming heeft in een buitenlandse dochter, dan mag de winstbelasting in het land van vestiging van de dochter vallen, en betaalt de moeder die niet. Samen zorgen deze drie kenmerken voor een paradijselijk vestigingsklimaat. Al moest je driemaal overstappen naar Schiphol, waarna je op je hoofdkantoor omringd werd door enkel laagbegaafden met een ver Drents dialect, dan nóg zou je kiezen voor een vestiging in Nederland.

Wij zijn een land van moeders. Mama Rolling Stones bijvoorbeeld, sinds begin jaren zeventig. Mama U2 ook, en nog duizenden anderen, waaronder zestien van de grootste bedrijven ter wereld en een baaierd aan bedrijven vlak daaronder. Niemand heeft ooit uitgezocht hoeveel productie van goederen en diensten in Nederland plaatsvindt om de schijn van een materiële aanwezigheid (soms nodig voor de fiscus) op te houden. Maar het moet substantieel zijn.

Het voordeel is groot, het nadeel verwaarloosbaar. Hooguit loopt de schatkist belastinginkomsten mis, maar van die revenuen zou sowieso geen sprake zijn als het regime anders was. Want dan zaten al die bedrijven hier niet. Maar blijft dat wel zo? Toen Ierland een jaar geleden steun vroeg voor zijn schuldencrisis, was de rest van de eurozone er als de kippen bij om te eisen dat het zijn zeer lage vennootschapsbelasting van 12,5 procent zou verhogen tot wat in Europa meer gebruikelijk is. De Ieren bogen niet. Ook voor hen (hoogopgeleid, vloeiend Engels, infrastructuur) is het fiscale klimaat van levensbelang bij de vestiging van internationale bedrijven.

De eurocrisis zou alsnog een fiscaal staartje kunnen krijgen. Duitsland heeft zijn zinnen gezet op de vestiging van een diepere Unie, bij voorkeur door een wijziging van de Europese verdragen. Een ‘harmonisering’ van de belasting voor ondernemingen maakt daar deel van uit. En terecht. Veel prikkels om internationaal beter te concurreren, om te innoveren, hoger op te leiden en wat al niet meer worden teniet gedoofd door de belastingconcurrentie. De wereldeconomie, en de Europese economie, zouden veel beter functioneren onder één belastingregime. Dat is een utopie natuurlijk, zelfs binnen de Verenigde Staten. Maar kijk niet vreemd op als Europa toch een keer een poging doet.

Maarten Schinkel