Kortkolom wetenschap

Begin van verslaving kan worden uitgedoofd

Rotterdam. Het is mogelijk de eerste gevolgen van cocaïneverslaving bij muizen terug te draaien door zenuwcellen te ‘herstarten’. Dat schrijven verslavingsonderzoekers vandaag in het wetenschappelijke blad Nature. Muizen die slechts een paar cocaïne-injecties hebben gekregen, gedragen zich al anders dan normaal. Na elke dosis worden ze bijvoorbeeld actiever. De onderzoekers maakten bepaalde neuronen lichtgevoelig en behandelden ze daarna met korte lichtpulsen. De zenuwcellen konden dan met licht worden gereset: eerst reageerden ze heftig op cocaïne, maar die respons verdween. Zelfs muizen die gewend waren aan cocaïne reageerden na deze behandeling op een shot cocaïne alsof het hun eerste was. De onderzoekers hopen dat hun resultaten tot nieuwe verslavingtherapieën bij mensen leiden. Niet met lichttherapie, maar bijvoorbeeld met diepe hersenstimulatie met elektroden of met transcraniële magnetische stimulatie, waarbij met korte magneetpulsen stroompjes worden opgewekt in de hersenen. (NRC)

Springende kakkerlak ontdekt in Zuid-Afrika

Rotterdam. Op de Tafelberg in Zuid-Afrika is een springende kakkerlak ontdekt (Saltoblattella montistabularis). Daarmee is deze kakkerlak uniek in zijn orde. De 4.000 andere kakkerlaksoorten kruipen of vliegen. Net als sprinkhanen heeft de pas ontdekte kakkerlak forse achterpoten. Ze zijn meer dan twee keer zo dik als zijn voorpoten. De vleugels van het dier zijn verschrompeld tot rudimentaire aanhangsels. In het laboratorium sprong de kakkerlak ruim 35 centimeter ver, ongeveer 48 keer zijn eigen lichaamslengte. Daarmee springt de kakkerlak verder dan treksprinkhanen, die 20 lichaamslengten ver kunnen springen. De biologen die het insect ontdekten denken dat het springen misschien een aanpassing is om snel aan roofdieren te ontkomen. Ze beschreven de nieuwe kakkerlak gisteren in het wetenschappelijke tijdschrift Biology Letters. (NRC)

Roeipootkreeftje ‘trekt’ voedsel naar zich toe

Rotterdam. Hoe haalt een roeipootkreeftje voldoende voedsel uit zeewater waarin zijn prooi maar heel verdund voorkomt? Op die oude vraag geven Deense onderzoekers een nieuw antwoord in Biology Letters, online 7 december. Roeipootkreeftjes (copepoden), niet groter dan een luciferskop, doen het anders dan de even kleine watervlooien. Die laatste zweven in water en brengen al zwevend een waterstroom op gang in de richting van het eigen lichaam. Daaruit wordt het voedsel gefilterd. Copepoden trekken door het water en grijpen de prooi die ze tegenkomen. Dat is lastiger dan het lijkt omdat ze al zwemmend water voor zich uitstuwen. Onbeweeglijk voedsel, zoals allerlei algen, kan niet worden waargenomen en kan alleen passief worden verzameld. Beweeglijk voedsel, zoals allerlei minuscule larfjes, wordt waargenomen aan de trillingen die het in water opwekt. Daar kan actief naar worden gegrepen. Uit observaties met een ultrasnelle camera blijkt dat de copepode Metridia longa toch ook onbeweeglijk voedsel waarneemt op het moment dat hij daar langs zwemt. Waarschijnlijk wordt het chemisch gedetecteerd. (NRC)